Jan Pietersz Verberne

Jan Pietersz Verberne 1739-1814 Family Tree

Jan Pietersz Verberne 1739 – 1814

Jan Pietersz Verberne (Jan Trammelant)

Zoals hierboven is vermeld is hij gedoopt op 16-03-1739; aan het einde van z’n 11-e cq begin van z’n 12-de levensjaar verloor hij zijn vader en twee jaar later ook zijn moeder nog geen 14 jaar oud. Er zijn geen gegevens of aanwijzingen bewaard gebleven hoe het met de opvoeding der wezen is gegaan; dezelfde vragen als bij hun vader rijzen hier: zijn ze in het weeshuis opgevoed of zijn ze in gezinsverband opgenomen geweest ? De beide oudste zonen gingen varen, Crelis werd kuiper/timmerman en Marijtje trouwde. Voor de stamboom is de tweede zoon Jan van belang maar ook de 1-e zoon Jacob heeft er iets mee te maken.
Deze Jacob werd zeeman, zoals reeds is gezegd: in 1767 was hij “kapitein [7.]” op het schip “de Catharina”; dit blijkt uit een notitie in het “Impostenboek op het overlijden” van Texel, waarin het volgende staat genoteerd: “27-1-1767: ‘t Lijk van een matroos van ‘t schip “de Catharina” gevoert bij Capitein Jacob Verberne leggende op de reede van Texel aan ‘t Oude Schil overleden (de matroos)……… pro deo”. Blijkens een akte van 01-10-1778 trad een Hendrik Sprong op voor zijn schoonzoon Jacob Pieters Verberne wegens “uitlandigheid”. Vermoedelijk is Jacob Pieterse weggebleven op zee; zijn overlijden is nergens gevonden. Dit moet zijn gebeurd tussen 08-12-1790 (toen hij op Texel doopgetuige was) en 17-07-1795 wanneer zijn echtgenote “de weduwe Jacob Pieters Verberne” wordt genoemd. Deze Jacob Pieters Verberne had een zoon Pieter Jacobs (ged 25-12-1773); op 09-05-1794 trouwde deze met Vrouwtje Lattjes (uit een Texels geslacht). Deze Pieter is evenals zijn vader vermoedelijk op zee verongelukt. Om de kost voor haar gezin te verdienen ging ze uit werken. Zij werd zwanger en kreeg een onecht kind, dat zij Louise van Scharenberg liet noemen. Deze Louise van Scharenberg zou de grootmoeder van oa Prof. Dr. Louis Verberne worden.

We gaan verder met de tweede zoon: Jan Pieters Verberne die in de familie onder de naam van Jan Trammelant zou blijven voortleven.
Evenals zijn oudere broer werd hij zeeman en hij zal wel de gebruikelijke opleiding hebben gevolgd: als jongmaatje al heel jong mee op een zeereis, daarna matroos, stuurman (daarvoor zal hij wel ergens aan de wal lessen hebben gehad) om vervolgens kapitein op eigen of andermans schip. In de geraadpleegde bescheiden vinden we hem (na zijn doop) voor het eerst in het Impostenboek voor het trouwen van de Gemeente op 24-07-1764 toen hij ondertrouwde met Martje Cornelis Burger van ‘t Oude Schild. Zij was op 15-09-1747 te Den Burg gedoopt als dochter van het Texels echtpaar Krelis Pieterse Burger (1771-1781) en Dieuwertje Jans Ran (1717-1780). In het Liber Matrimonium van de parochie Den Burg (Texel had toen slechts één parochie) staat het huwelijk echter niet ingeschreven. Ze waren 4-e graad familie van elkaar en hadden volgens de toenmalige kerkelijke wetgeving dispensatie nodig. Het kerkelijk huwelijk (dat blijkbaar verzuimd is in te schrijven) zal oa 08-08-1764 hebben plaats gevonden. Het is niet zeker of het echtpaar zich na hun huwelijk direct in Oude Schild ging vestigen; op 08-07-1766 toen beide echtelieden een testament maakten bij notaris Wentel (beneden f 2000,=)(RAH 4876) woonden zij wél in Oudeschild.

Het echtpaar kreeg 5 kinderen:
Antje
{ged 03-02-1767 Den Burg
{† 31-11-1769 verm Oudeschild
Pieter
{ged 26-04-1769 Den Burg
{† 23-10-1858 Amsterdam
Cornelis
{ged 13-05-1771 Den Burg
{† 27-10-1827 Den Burg
Willem
{ged 22-01-1773 Den Burg
{† 13-12-1845 Oost op Texel
Simon
{ged 08-09-1775 Den Burg
{† 22-07-1837 Den Burg

Op 19-03-1773 (RAH 6889) koopt Jan Pieters Verberne een huis te Oude Schild voor f 760,=. Op 19-01-1783 (RAH 4904) verklaring dat de echtelieden in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Op 21-05-1783 geeft Kapitein Jan Verberne volmacht aan zijn vrouw Martje Burger (RAH 4876). Tussen 1780 en 1785 koopt hij enige malen land, ook een boerderij; één keer verkoopt hij een stuk land.
In 1785 komt zijn naam voor op een lijst die werd ingediend bij de Heeren Gecommitteerde Raden van West-Friesland om een eigen parochie in Oude Schild te mogen stichten; dit werd vermoedelijk afgewezen (in 1829 kwam er pas een [8.] parochie (en ook een kerkhof) in Oude Schild.
Op 17-03-1789 (RAH6891) koopt Jan van zijn broer Cornelis in de Burg een huis, erf en schuur in de Gasthuisstraat voor f 1950,= contant (zou dit het huis zijn waarin hun vader gewoond heeft ?). In 1790 woonde Jan Pieters Verberne in Den Burg, hij zal genoemd huis wel betrokken hebben; de verhuizing moet plaats gevonden hebben tussen 26-03-1789 en 25-06-1790.
Op 30-08-1790 koopt Jan Pieters Verberne van zijn zwager Jan Cornelis Burger aan Den Burg woonachtig, een bieuweagtkante meel-en pelmolen, met het erf, 2 paar pelstenen, een paar meelstenen enz. bewesten Den Burg voor f 4500,=. Blijkbaar zat Jan Cornelis Burger in financiële perikelen want bij de verkoop bedingt hij dat hij indien hij binnen drie jaar “tot beter fortuyn mogte geraken”, hij zonder meer het recht van terugkoop had. Dit is blijkbaar niet gebeurd want Jan Pieters Verberne bleef in het bezit van de molen; Jan Pieters Verberne had dus het varen er aan gegeven en werd molenaar. In 1806 staat hij bij de gemeente ingeschreven als pelmolenaar en in het “registre civique” als molenaar. Men bleef hem meestal kapitein noemen.
Het lijkt waarschijnlijk dat Jan P. Verberne in 1789 zijn laatste zeereis maakte. Er is namelijk een akte gevonden van 19-10-1789 (RAH 4907), waaruit blijkt dat er schade aan boord was opgelopen ten gevolge van een storm. In die akte staat te lezen dat het schip van Jan Pieters Verberne een fregatschip was, genaamd “het Fortuijn” en behalve de kapitein, 5 man aan boord had: Pieter Verberne, stuurman (ongetwijfeld de oudste zoon van de kapitein – 20 jaar oud), Jacob Smit bootsman, Pieter Ottens timmerman en de matrozen Gerrit Dijker en Simon Graaf.
Ook zien we uit deze akte (waarvoor de notaris met 2 getuigen per vlet aan boord kwam – het schip lag op de rede van Texel – hoe langzaam het verkeer ter zee was en ook hoe gevaarlijk soms. Schr. kan de verleiding niet weerstaan om een gedeelte over te nemen:

“…….(de bemanning) allen van competenten ouderdom en in voorz Qualiteijten vaarend met het Fregatschip het Fortuijn leggende thans ter reede van Texel, gevoert bij Capiteijn Jan Verberne, gedestineerd van Amsterdam naar Napels en Venetien – Item Albert Buijsman, Lootsman, woonachtig aan ‘t Oude Schil op Texel. Dewelke alle, alleen ten dienste van de waarheijd, ten verzoeke van voornoemde Capiteijn Verberne en van alle die het verder mogte aangaan, voor de opregte waarheijd hebben getuijgd en verklaart en wel de eerste getuigen, eerst afzonderlijk, dat zij getuijgen, met hun voorz schiphetgint onder anderen van goede en genoegsame ankers en Touwen voorzien, en verders in alles naar zeemancostume toegerust was) op 18-e september laatsleden van voor de stad Amsterdam zijn vertrokken om hun voorgenomen Reijze te bevorderen en den 20-e dito op de reede van Texel ten anker gekomen en wel vertuijd zijn, alwaar zijn den volgenden 25-e dito haare laatste Ligten”(Lading)”overgenomen en vervolgens met veele Zuijdelijke en westelijke winden en slecht weer in volkomen gereedheijd om na zee te kunnen gaan, gelegen hebben tot op donderdag den 15-e ezes loopende maand October”(dus vier weken !)”wanneer des morgens de wind aant Oost en Oost Zuijd Oost ge loopen was met een frisse koelte en dik mistig weer, dog tegen de middag begon de lugt op te klaaren, waarom zij benevens veele andere schepen, hun anker opligten en met de laatste getuige, als Lootsman aan boord (die nu mede verklaart) na zee te zijn gezeild. Des achtermiddags tusschen vier en vijf uuren omtrent de tweede ton van buijten in ‘t zeegat genadert zijnde, was de wind reeds merkelijk verflauwd en tot aandes avonds hadden zij een klein koeltje uijt den Westen en Noordwesten, met eendikke verstopte lugt laveerden toen om in zee te komen, doch om agt uuren tot evenbewesten de uijterton genadert zijnde en wegens de stilte niet volkomen in zee kunnende komen, zo resolveerde de Requirant in deze, benevens Capiteijn Feije Zwart. die met zijn Schip het hunne nabij was, om



[9.]
daer ter plaatse met beijde schepen ten anker te gaan, ten eijnde alzo den 9 dag en eens gunstigengelegentheijd af te wachten; alsmede om de lootsschuijtenelk bij zijn schip te houden; zulks alzo geschied zijnde bleven zij aldaar ten anker leggen tot den volgende morgen om drie uuren met een Noord-weste a Noordwest ten Noordenwind en aannemende koelte, wanneer hunnen getuijgens voorne Lootsschuijt, door de geweldige aanslag van de zee, het niet langer aan boort van het schip konde houden maar vandaarvertrekken moest; te welken tijdzij haar uijtstaande tonne tot bijna op de helft uijtstaken, en alzo leggen bleven, terwijl de wind nogal meer aannam, tot des morgens tussen tien en elf uurenwanneer zij zig in de volstrekte noodzaakelijkheijd bevonden om har voornoemde Touw te moeten afkappen, als geen mogelijkheijd ziende wegens de holle zee, de sterke westelijke wind en de nabijheijd van ‘t strand, hetzelve te kunnen inwinden en behouden; waarom zulks dan alzo volvoert wierd; zetten toen terstondde zeijlen bij dog dewijl er in de voorgemelde omstandigheden geen kans was om met hun schip vandaar veijlig in zee te kunnen komen, zo waren zij genoodzaakthet na binnen te houden, gelijk geschiede, en kwamen alzo dien namiddag circa twee uuren, met hun schop op de reede van Texel wederom ten anker —- hebbende hun schip voor het Voorsz ongeval (gelijk de vijf eerste getuijgennu wederom apart verklaaren) verlooren haar dagelijks anker, zwaar circa 1200 pond, een Tonneboeij, eenboeijreep lang 28 vadem” (vadem is ca 1.88m)”en dik 5 duijm”(amsterdamse duim is 1 cm)”en zijnde circa zestig vadem van haar dagelijkse touw, dik 12½ duijm afgekapt……..Eijndelijk verklaaren alle getuigen nog gezamentlijk, dat haar de voorgeschrevene Ramp niet is overgekomen door wandirectie, plichtsverzuijm of iets diergelijks; maar dat zij ter contrarie in het Voorsz geval alle zodanige vigilantie en zeemanschap hebben gebruikt en te werk hebben gesteld, als naar de toen presente omstandigheden doenlijk zijn geweest ……

Verder verklaren zij zich bereid alles onder eede te willen bevestigen. Vermoedelijk zal deze akte hebben moeten dienen om schadevergoeding te krijgen.

In het Centraal Bureau voor de Genealogie te Den Haag is nog de volgende advertentie gevonden omtrent het schip “Het Fortuyn”:

H. Beth Tammesz, AD van Wijk en H Snijders, Makelaars, zullen op Maandag den 24 Augustus te Amsterdam in het Nieuwerzijds Heeren Logement, verkopen een extraordinair welbezeild Fregatschip genaamt Het Fortuijn, Kapitein Pieter Verberne; is in ‘t jaar 1772 nieuw uitgehaald, lang 86 voet, wijd 26 en 1 half voet, hol 10 voet en 9 duim. Verdek 5 voeten en 9 duim, gemonteerd met 6 stukken kanon; breeder bij den Inventaris en bericht bij gemelde Makelaars en bij Heere Lammers.

Op deze advertentie waarop geen gedrukt jaartal voorkomt, was met inkt het jaartal 1795 geschreven; bij onderzoek is gebleken dat 24 augustus in 1795 inderdaad op maandag viel: 1795 zal dus wel goed zijn. Zoon Peiter Verberne (in 1789 nog stuurman) was dus blijkbaar kapitein geworden en zou het jaar 1772 een aanwijzing kunnen zijn van het jaar waarin Jan Pieters Verberne als kapitein op zijn schip ging varen? De troebele tijden zullen misschien wel verband houden met de verkoop van het schip. Of “Het Fortuijn” toen inderdaad verkocht is, is niet bekend. Aangenomen mag worden dat Jan Pieterse Verberne in 1789/1790 het varen er aan gaf en het commando overdroeg aan zijn zoon Pieter, die toen nog maar 20 of 21 jaar oud was. Hield zoon Pieter in 1795 ook op met varen? Hij trouwde in dat zelfde jaar. Ten slotte wordt nog opgemerkt dat het bewijs dat “Het Fortuijn” inderdaad eigendom van Jan Pietersz Verberne was niet gevonden is. Gezien zijn krachtige financieële positie, toen hij het varen eraan gaf (ook daarvoor) is dit echter wel zeer waarschijnlijk.

Martje Cornelis Burger, z’n vrouw heeft niet lang mogen wonen in de Gasthuisstraat aan Den Burg: zij stierf 3 febr 1791, in de leeftijd van 43 jaar.


[10.]
In dit jaar (1791) kocht Jan Pieters Verberne het graf nr 108 in de Nederlands Hervormde Kerk aan Den Burg – vermoedelijk is Martje Cornelis Burger in die kerk begraven (ivm die aankoop) maar in de grafboeken is daaromtrent geen aantekening gevonden.
Het is niet te verwonderen dat de weduwnaar weer aan een huwelijk dacht: de jongste was pas 15 jaar en Jan Pieters’ leeftijd was geen overwegend bezwaar (52 jaar). Op 4 januari 1792 ondertrouwd hij met Martje Jans Smit ( impostenboek van de gemeente). Op 18 jan 1792 wordt een akte voor de notaris gepasseerd waarin zij verklaren dat zij buiten gemeenschap van goederen zullen trouwen. Het burgerlijk huwelijk vindt plaats op 20-01-1792 (voor beide in de 2-e klas f 30,=); het kerkelijk huwelijk vond op dezelfde datum plaats.
Marthe Jans Smit, geboren in den Hoorn (gedoopt 19-07-1752) was een dochter van Jan Cornelis Smit (1723 – ?) en Dieuwertje Dirks Visser (1724 – ?). Zij was reeds tweemaal weduwe geweest; op 06-03-1778 was ze gehuwd met Maarten Hendriksz Biem en op 14-07-1783 met Cornelis Jansz Klok en had uit beide huwelijken geen kinderen. Het derde huwelijk van Martje Jans Smit duurde ruim 18 jaren; zij overleed op 28-06-1810, 58 jaren oud en Jan Trammelant was voor de tweede maal weduwnaar. Het is niet gebleken waar Martje Jans Smit begraven is.

Op 15 november 1810 verklaren de erfgenamen van Martje Jans Smit dat Jan Pietersz Verberne “hen heeft overgegeven en ter hand gesteld alle de roerende goederen, gelden, effecten en andere papieren……. voor welke overgave en terhandstelling zij comparanten genoemde Jan Pietersz Verberne verklaren bij dezen ten vollen en zonder reserve te quiteren”. Uit de bijbehorende lijst of liever inventaris, waarin nauwkeurig haar bezittingen waren opgetekend ( 19 zeer ruim beschreven foliobladen) blijkt dat Martje Smit lang niet onbemiddeld was.
Op die inventaris komen oa voor:
Huis en erf in de Knippelbuurt aan Den Burg (verhuurd voor f 28,= p jaar), 400 roeden land (verhuurd voor f 20,= per jaar), een zestiende portie in een loodsschuit, f 6500,= aan obligaties voor uitgeleende gelden, contant geld f 357 gulden en 4 stuijvers, 14 gouden sieraden waaronder een gouden oorijzer, ringen wo een diamanten ring, 15 zilveren voorwerpen, beddegoed, 30 rokken, ondergoed, 10 jakjes, schortjes, bonten mantel, hullen, damast tafelgoed, meubilair wo een eiken kabinet, een “zeekist”, 16 schilderijen, porcelein, veel tin en koper en eindelijk “enige kleine boekjes”. Er moest nog 24 gulden, 19 stuijvers en 8 penningen aan dijkgeld en verpondingen (belasting) over 1809 worden betaald, terwijl de “doodsschulden” 264 gulden, 16 stuijvers en 8 penningen bedroegen.
Jan Pieterse Verberne was nu ruim 71 jaar en zijn kinderen waren alle getrouwd. Geheel zijn leven was hij actief geweest – op politiek gebied is daarvan niets gebleken (het was vóór 1795); in dat jaar wordt hij door de stemgerechtigde burgers van Texel gekozen in de commissie voor het opmaken van lijsten van ambtenaren welke zich schuldig hebben gemaakt aan plundering, onderdrukking of andere misdrijven (gem.archief van Texel, register van advertenties); dit zal in de tijd geweest zijn toen de patriotten het bestuur van de gemeente Texel overnamen van de prinsgezinden (zie Geschiedenis van Texel van J.A.v.d. Vlis blz. 173 vv); hieruit kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat Jan Pieters Verberne zich met de patriotten verwant voelde. Verder blijkt hij op 21-07-1812 hoofingeland van het Dijkscollege van “de agt en twintig gecombineerde polders op den Eijlande van Texel te zijn.” Hij heeft zich ook met kerkelijke aangelegenheden bemoeid; afgezien van zijn bemoeienis in 1785 voor het stichten van een parochie te Oude Schild, begon hij zich, voor zover althans bekend pas na z’n 65-e jaar met het bestuur van de aprochie Den Burg te bemoeien. In de “vergadering” van 9 febr 1804 werd hij tot kerkmeester benoemd (gekozen). Het is voor onze huidige begrippen wel wat vreemd hoe toen een Kerkbestuur werd geformeerd en hoe het functioneerde. Jaarlijks eind januari begin februari legde het zittende bestuur rekening


[11.] en verantwoording af over het geldelijk beheer van het vorig jaar t/o de parochianen die de daarvoor uitgeschreven vergadering wilden bijwonen; pastoor noch kapelaan kwamen daar aan te pas – ze mochten er zelfs niet bij zijn! Deze hadden alleen maar te zorgen voor de geestelijke zaken; het kerkbestuur zorgde wel voor de materiële dingen. Pas in 1828 kwam daar verandering in.
Op Texel waren naast de R.K. Kerk in Den Burg drie of vier bijkerken, nl. in den Hoorn, Oosterend, Oude Schild en de Koog (deze laatste werd gesloten in 1811 en de goederen overgedragen aan de Kerk in Den Burg; het kerkje werd in 1812 afgebroken – in 1808 woonden er nog 69 Katholieken); deze bijkerken hadden wel kerk-en armbesturen. De geestelijken van Den Burg (een pastoor en een kapelaan) bedienden den buitenkerken zó dat ze om toerbeurt Zondags naar een van die dorpen gingen; op de overige Zon-en Feestdagen moesten de gelovigen naar Den Burg komen. Een in het parochiearchief van Den Burg gevonden nota uit 1844 wijst er op dat de geestelijkheid die bezoeken te paard aflegde: J.Heme diende een rekening in voor geleverde stijgbeugel, schrabak en rijhoofdstel.

Aangezien de geestelijke en materiële leiding van de parochie in van elkaar onafhankelijke handen waren, zijn er conflicten ontstaan. Het kerkbestuur van Den Burg eiste van de kerkbesturen der dorpen betaling voor de diensten die de geestelijken van Den Burg verrichtten. Het eerstgenoemde bestuur betaalde het levensonderhoud van pastoor en kapelaan (en rijpaard?) en daarom vroegen ze van de andere kerkbesturen vergoeding wat niet als onredelijk kan worden gezien. Als echter de buitengemeenten niet op tijd betaalden waren de leden van het kerkbestuur in Den Burg daarover niet erg te spreken en verboden soms de geestelijken om naar de dorpen te gaan en daar de diensten te leiden – zo zijn er eens in een periode van 9 á 10 jaar te Oude Schild geen kerkelijke diensten gehouden.
In 1775 was het weer zover: de kerkmeesters van Den Burg verboden schriftelijk via Notaris Star de pastoor Gaffé (later diens opvolger Palen) om op de “buijtendorpen” godsdienstoefeningen te houden. Deze pastoors namen dit echter niet! Het geval gaf een fikse deining tussen geestelijkheid en kerkbestuur; hoe het geschil uit de weg is geruimd en of de buitengemeenten hun achterstallige schuld hebben betaald, is niet gebleken.
Dat de verhouding tussen kerkbestuur en geestelijkheid op Texel méér gebotst heeft blijkt uit een handschrift van pastoor Andries de Weerd, geschreven naar schatting in 1784 ( hij overleed als pastoor van Texel op 08-11-1808 en werd op 15-11 dav begraven in de Ned Herv Kerk aan Den Burg, graf nr 33), waarin hij kort en bondig zegt:”Kerkmeester van Burger Kerk” (is gelijk) “vijand van de pastoor.” Hij haalt ook gevallen aan die zijn voorgangers hebben ondervonden die een merkwaardig inzicht in de toenmalige toestanden geven.

Jan Pieters Verberne werd dus in febr 1804 kerkmeester gekozen door de parochianen die de jaarlijkse vergadering bij woonden – een gekozen kerkmeester bleef dat 3 jaar, de eerste twee jaar gewoon lid (er waren 3 Kerkmeesters), maar in het derde jaar was hij volgens het gebruik “president”. Na dat jaar ging hij uit het bestuur, tenzij hij herkozen werd. Jan Pieterse Verberne was van 15-02-1806 tot 09-02-1807 president. Eén jaar bleef hij er buiten, maar op 11-02-1809 kwam hij er weer in; in het register van ontvang en uitgaaf, waarin deze benoemingen werden vastgelegd, heeft Jan Pieters Verberne er (vermoedelijk) met eigen hand bijgeschreven: “voor de tijd van drie achter een volgende jaren”. Van 09-02-1811 tot 11-02-1812 was hij weer “president”. In het archief van de parochie Den Burg werd nog het volgende briefje aangetroffen:
“Pastorie Texel 19-12-1811
Mijnheer J Verberne Praesident Kerkmeester der R.C.Gemeente van Den Burg op Texel.
Zeer aangenaam zoude het mij zijn daar ik om geld verlegen ben en eenige schulden hier moet betaalen wegens geleverde goederen daar ik anders onmachtig toe ben. Zoo


[12.]

UED het konde schikken mij mijn tractement te bezorgen zoude ik zulkx niet doen zoo ik mij redden konde in hope dat UED dit niet kwalijk zult afneemen ben ik met hoogagting
UED DWW Dienaar

J Baters
Pastoor der gemeente.”

Opgemerkt wordt dat, zoals uit de kasboeken blijkt, de pastoor per drie maanden f66,= + 14 st. ontving (soms f 79,= + 14st.) en de kapelaan per drie maanden 16 á 17 Gulden. Verder kreeg de pastoor voor zijn personeel op 04-01-1808 15 Gulden + 15 stuivers; de kosteres verdiende f 22,= per half jaar. Vermoedelijk zullen de geestelijken de stipendia zelf wel hebben mogen behouden (in de kasboeken komen die niet voor) en hadden ze vrij wonen.
Dit, wat de kerkelijke werkzaamheden van Jan Trammelant betreft. Op 15-03-1793 (RAH 6891) verkoopt Jan P. Verberne zijn huis en erf in Oude Schild. Uit de omschrijving van de ligging van het perceel (het kadaster was er toen nog niet) blijkt dat onze Jan P. Verberne naast een andere Jan Pieterse Verberne woonde. Laatstgenoemde wordt in de documenten, om verwarring te voorkomen altijd Jan Pieterse Verberne Jr. genoemd; hij leefde van 08-09-1761 tot 17-03-1845, loods van zijn beroep. Hij stamde ook af van Jacob Jansen Verberne via diens zoon Gillis en was een achterkleinzoon van eerstgenoemde; onze Jan Pieters V was een kleinzoon van Jacob. Ze waren dus achterneven.
In het oud-rechterlijk archief van Texel, (thans in het RAH – nr onbekend) komt nog een proces-verbaal voor over een relletje op Sinterklaasavond 5 december 1793, waarbij 2 zoons van Jan Pieters Verberne betrokken waren, nl Cornelis en Simon. De laatste was vermomd in een “schapenhuijd of iets anders van gelijke ruijgheid, een hooge muts op ‘t Hoofd en een lange Stok in zijne hand hebbende”.
Dat vermomd zijn was blijkbaar verboden en een diender hield hem aan; het werd een straatrel in de Hoogstraat want er waren meer lieden op afgekomen, ook een tweede agent. De agenten sloegen er met hun stokken op los en de tweede agent werd door broer Cornelis, die er ook bij was, flink tegen zijn schenen geschopt “zodat het Bloed (er) bij ndere liep”. De beide agenten vluchtten ten slotte het huis van Adam Kalf in de Hoogstraat binnen omdat ze tegen de overmacht niet op konden. Daar waren ze nauwelijks binnen, “of Jan Pieterse Verberne en zijn zoon Cornelis Jansz Verberne kwamen mede aldaar, en bij ons in het vertrek, vragende, om wat reedenen wij zijn zoon geslagenhadde? en ‘t antwoord luidde: omdat hij mij de Scheenen opgeschopt heeft! toonende gelijk mijn been, ‘t welk ten eenemale geblesserd was ….. gaande dezelve Jan Pieters Verberne zonder meerder te vraagen of te antwoorden dadelijk met zijn zoon te Huijze uit”. Van veel belang is dit verhaaltje niet, maar ‘t is wel interessant om te weten dat een verzoek van de Schout op 16 januari 1794 (datum van verhoor?) om Cornelis gevangen te nemen door de schepenen werd afgewezen. Toen de zaak op 26 juni 1794 eindelijk voorkwam eiste de Schout maar liefst 25 jaar verbanning van Texel! Het vonnis der schepenen echter hield een boete in van f 25,=, waartegen Cornelis Verberne in hoger beroep ging. Hoe het verder afliep is niet bekend. Het rapport der agenten en het verhoor zijn beide bewaard gebleven.
Zoals gezegd kocht Jan Pieters Verberne nog al veel- hij belegde zijn geld blijkbaar in grond. Als de akten van aan- en verkoop alle bewaard zijn gebleven, kocht hij tussen 1773 en 1802 ruim 108 HA landerijen en verkocht hij er ruim 13, zodat hij bij zijn overlijden in het bezit moet zijn geweest van ongeveer 95 Hectare land en minstens twee boerderijen; verder bezat hij nog de pelmolen en twee huizen in de Gasthuisstraat. We mogen hem dus behoorlijk gegoed achten.


 

[13.]

Er is nog een akte gevonden van 13 juni 1811, waarin drie van de vier zoons nl Cornelis, Simon en Willem er mede instemmen dat hun vader Jan Pieterse een boerderij met landerijen verkoopt. Dit is begrijpelijk want Jan Pieterse en zijn eerste echtgenote waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Het valt op dat de vierde zoon (Pieter) niet in de akte wordt genoemd. Het kan zijn dat hij zijn erfdeel reeds had gehad – hij was kapitein op “Het Fortuijn” geweest – mogelijk is ook dat deze Pieter, die tussen 31-03-1796 en 04-031798 naar Amsterdam verhuisd was aldaar een soortgelijke akte heeft laten opmaken.
In de doopboeken van de R.K.Kerk te Den Burg komt de naam van Jan Pieters Verberne een viertal malen als doopgetuige voor. Bij de B.S. (invoering in 1812) treedt hij zes maal op als getuige bij geboorte of huwelijk.
Zoals hiervoor is gezegd leeft hij in de familieoverlevering voort als Jan Trammelant. Prof. Rogier heeft in zijn rede bij het overlijden van Prof. L.G.J. Verberne, op 28-01-1956 te Nijmegen gehouden, geopperd dat deze bijnaam op twistzoeken en onruststoken òf slechts op een meer onschuldig “deiningmaken” zou kunnen wijzen. In acht genomen dat Jan Pieters Verberne kapitein ter zee is geweest en gewend was om aan boord als absoluut heerser op te treden, zou men ook kunnen stellen dat hij altijd de baas trachtte te spelen en dat zijn wil en mening aan anderen op te leggen en dat hij, als dat niet lukte, losbrandde. De familieoverlevering is in gebreke gebleven daaromtrent enige precisering te verstrekken; we kunnen echter wel aannemen dat Jan Pieters Verberne over temperament heeft beschikt.
Het einde van Jan Pieters Verberne kwam op 14 november 1814; twee achterneven geven het overlijden aan bij de Burgerlijke Stand, met de toevoeging: overleden in het huis nr 327. Het is moeilijk te achterhalen welk huis dit was, mogelijk het huis waar zijn vader in woonde (dat toen het nr 240 droeg – vernummering?). Ook in het “Liber Defuntcrum” van de parochie Den Burg staat zijn overlijden vermeld maar met de toevoeging “subtanie”, dus plotseling overleden. Hij werd begraven in de N.H. Kerk te Den Burg in het graf nr 108 dat hij in 1791 kocht in het jaar dat ook zijn eerste vrouw Martje Cornelis Burger overleed; de begrafenis vond plaats op 19 november 1814.
Men kan wel zeggen dat Jan Pieters Verberne een behoorlijk vermogend man was en dat hij in zijn levensmilieu een geziene plaats heeft ingenomen.

 

Leave a Reply