Pieter Willems Verberne

pwverberne

Pieter Willems Verberne 1807-1881

De hierboven genoemde Pieter Willems Verberne werd geboren aan Den Burg en aldaar gedoopt op 9 oktober 1807. Doopgetuigen waren Simon Janse Verberne (broer van de vader) en diens huisvrouw Neeltje Jansse Reij. Van zijn jeugd is niets bekend behalve dat hij op zijn 10-e verjaardag van de toenmalige kapelaan van den Burg een prentje kreeg met de opwekking:”Vreest God. Eert Uwen vader en vergeet de zughten van Uwe moeder niet”. Hij werd onderwijzer; waar hij studeerde is ook onbekend (normaalschool in Den Helder ?). Volgens professor Rogier in zijn “Herdenking van Prof. Dr. L.G.J. Verberne” behaalde hij de meeste onderwijsrangen onder vigueur van de wet van Van der Ende verkrijgbaar. Naar schatting zal hij z’n acten gehaald hebben toen hij 18 á 19 was en dus in ca 1825 of 1826. Naar men zegt zou hij in Ravestein en Maastricht onderwijzer zijn geweest.

Nadien is hij naar “de Zuidelijke Nederlanden”; hij behoorde tot de Noord-Nederlandse (Katholieke?) onderwijzers die door Koning Willem I in de Zuidelijke Nederlanden te werk werden gesteld – ook het omgekeerde geschiedde (med van Prof. Dr. Verberne). Pieter Willems Verberne bleef daar tot de Belgische afscheiding in 1830, dus van ca 1826 (27?)- ca 1830. Volgens mondelinge overlevering van Louis Verberne aan een der familieleden zou hij te Halle bij Brussel hebben gestaan. (Louis Verberne zou ook een aantal gegevens over het geslacht Verberne hebben verzameld – helaas zijn die niet teruggevonden).
Pieter Willems Verberne zal mogelijk in augustus/september 1830, toen de onlusten in Brussel een aanvang namen, naar Texel zijn teruggekeerd. In ieder geval was hij tegenwoordig bij het burgerlijk huwelijk van zijn oudere broer Jan Willems Verberne te Den Burg op 16-04-1831. Hij was daar 1-e getuige en als zijn beroep gaf hij op onderwijzer te zijn. Wanneer hij met zijn Franse school begonnen is is niet bekend; vermoedelijk zal dit wel kort na zijn terugkeer uit het Zuiden zijn geschied. Het was een school van een soort van uitgebreid lager onderwijs – er werd Frans, Duits en Engels gedoceerd; de Franse taal schijnt hij goed beheerst te hebben, hetgeen niet verwonderlijk is na zijn aanwezigheid van een aantal jaren in het franstalige gebied der Zuidelijke Nederlanden.

De reeds genoemde inspecteur Wijnbeek (zie bij Willem Jansz Verberne) zegt – in 1839 – over zijn onderwijs:”de Nederlandse leestoon was hier zeer goed, de regels derzelve, alsmede die van het Frans waren grondig beoefend; de uitspraakvan het Frans was zuiver. Minder zuiver was die van het Engels en het Hoogduits, welketlen hij ook onderwijst.”
P.W. Verberne, Instituteur a l’ile de Texel, 1849
en van zijn leerlingen van de school, de latere Ds Vredenberg Czn heeft in een almanakje van het jaar 1917 een sympathiek artikeltje over het onderwijs van Pieter Willems geschreven, dat hij zeer waardeerde en hem als onderwijzer en mens hogelijk prees, oa omdat hij zijn leerlingen opwekte tot opmerkzaamheid van de mooie dingen die de natuur voor ieder, die zijn ogen weet te gebruiken, biedt. Verder vermeldt hij ook nog dat de Roomse onderwijzer iedere schooltijd meest liet aanvangen met een lied, waarbij niet onverdienstelijk de fluit bespeelde. Die liederen waren niet zelden van godsdienstigen geest, maar zóó dat Roomsch en Protestant gerust konden meezingen. (Die fluit is nog in het bezit van schr. &134;)
Van der Vlis, de schrijver over Texel, vermeldt: “de school van Verberne was een particuliere onderneming, waar een vrij hoog schoolgeld, afhankelijk van het aantal talen dat men leerde betaald moest worden.” In 1839 had de school 21 leerlingen, in 1874 waren het er 25; tengevolge van het vrij hoge schoolgeld zullen alleen de beter gesitueerde kringen hun kinderen op die school gedaan hebben. Vet zal de boterham voor de onderwijzer wel niet zijn geweest!
In de akten van de Burgerlijke Stand wordt het beroep van Pieter Willems herhaaldelijk aangegeven als “instituteur”. Men noemde hem als hoofd van de Franse school:”Monsieur” verbasterd tot “Meseu”. Zijn kinderen en kleinkinderen (in 1970 nog) droegen bij de geheide Tesselaars de bijnaam “Jan van Meseu”, “Piet van Meseu”, enz.
Onder zijn leerlingen heeft Pieter Willems ook buitenlanders gehad.

pijp_pwEen familielid, Ben Pietersz Verberne (†) uit Den Haag, heeft een Duitse pijp (zie rechts) van P.W. Verberne in zijn bezit gehad. Deze is uit diens nalatenschap in het bezit gekomen van Lucas Verberne, initiator van www.verberne.com. Red.); op de kop van die pijp staat de volgende inscriptie: “P.W. Verberne, Instituteur á l’ile de Texel, 1849, cadeau des Ms les frêres Krüse de Neunkirchen”.

Ook waren er kinderen van de bekende notaris Bok op de Franse school. Een van die kinderen, Willem Bok werd notaris te Nieuwediep, onder de naam Hidde Bok (naar zijn grootvader). Tengevolge van speculaties ging hij tweemaal failliet; de eerste keer hielp de Texelse familie hem eruit maar de tweede keer moest hij rechtstreeks het land verlaten en vluchtte hij naar Engeland (waarover een spotprent verscheen – een bok met een paar tonnen om zijn nek die van Nieuwediep over de Noordzee naar Engeland springt -) Later trok de gewezen notaris naar de Verenigde Staten waar hij de stamvader werd van een geslacht dit tot grote rijkdom kwam (damestijdschrift: ‘Ladies Home Journal’). Een van zijn nakomelingen was omstreeks 1925 senator in de V.S. In 1873 schrijft de gevluchte notaris vanuit New York aan “Monsieur” Verberne een brief waaruit blijkt dat hij van 1838 – 1846 leerling op de Franse school is geweest (hoek Weverstraat) en thans leeft van hetgeen hij bij “Monsieur” geleerd heeft van vreemde talen; hij was toen translateur bij de Union Telegraph Company te New York voor de Engelse, Fransche, Hoogduitse,, Italiaans en Latijnse talen (salaris 100 dollar papier per maand). Het Italiaans en de Latijnse talen moet hij elders geleerd hebben want die onderwees Pieter Willems niet.
Dit wat zijn onderwijs betreft. Ik voeg er nog aan toe dat hij zoals alle toenmalige onderwijzers veel leermiddelen zelf maakte, b.v.aardrijkskundige kaarten waarvan er nog twee bewaard zijn gebleven. De school was aanvankelijk (tot 1853) gevestigd op het Schilderend hoek Weverstraat zoals uit de brief van de gewezen Notaris Hidde Bok blijkt.
Op 27-jarige leeftijd trouwde Pieter Willems voor de Burgerlijke Stand op 06-06-1835 te Den Burg met Agie Kooger (ged 10-02-1811 te Den Burg), dochter van Dirk Jansz Kooger (zeeman, later commisionair) en Neeltje Hendriks Burger beide van Texelse families. In de akte van de BS staat vermeld dat de bruigom een certificaat van voldoening aan de Nationale Militie overlegde. Vermoedelijk zal hij een “remplaceant” of een “nommerverwisselaar” hebben gehad (deze laatstewaren minder duur dan de eerste – als een remplaceant drostte behoefde de loteling die hem gehuurd had zelf niet op te komen; bij een nommerverwisselaar voor wie twee á driehonderd gulden betaald moest worden,moest dit echter wèl).

Op eerste Pinksterdag 1835 trouwde het echtpaar in de parochiekerk te Oude Schild. Haar ouders woonden in Oude Schild; de huwelijksdatum was 07-06-1837.
Lang heeft het huwelijksgeluk niet geduurd, want Aagje stierf twee jaar later al, kinderloos (tbc?). Overleden op 17-06-1837 werd ze op 21-06 begraven op het R.K. Kerkhof te Den Burg. Pieter Willems bleef 5 jaar weduwnaar; hoe hij zich gered heeft is niet bekend – huishoudster ? Zijn ouders leefden nog maar woonden hoogstwaarschijnlijk in Oost; of een van zijn beide ongetrouwde zusters?
Op 3 augustus 1842 hertrouwde Pieter Willems met ene Louisa van Scharenberg, die dienstbode was bij notaris Bok, wiens woning vlak bij de school van Pieter Willems gelegen was. Zoals reeds op blz.7 is vermeld was Louisa op 06-03-1813 als onechte dochter van Vrouwtje Verberne-Lattjes ter wereld gekomen. Voor zover schrijver dezes met het Kerkelijk recht van die dagen op de hoogte is waren bruid en bruidegom in de 4e graad aanverwant. In het trouwboek van de parochie (het kerkelijk huwelijk werd op dezelfde dag gesloten) wordt niet vermeld dat er dispensatie werd gegeven.
Bij de geboorte-inschrijving had de vroedvrouw die de aangifte deed bij de B.S. uitdrukkelijk vermeld dat de moeder het kind de naam van Louisa van Scharenberg wenste te geven. Toen was dit blijkbaar nog mogelijk (tegenwoordig zou het kind de achternaam Verberne hebben gekregen); eventueel kreeg een moeder daardoor de gelegenheid zich te wreken op de natuurlijke vader, b.v. als deze haar in de steek gelaten had. Het is uiteraard niet bekend of dit hier gespeeld heeft.
Uit de inschrijving in het doopboek blijkt dat de 15-jarige Cornelia Verberne [18.], dochter van Vrouwtje Verberne – Lattjes meter was bij de doop van haar halfzusje Louisa. Deze Cornelia zou later trouwen met een Cornelis van Keeren; met de afstammelingen uit dit huwelijk heeft de familie Verberne vrij lang contact gehouden. Er is nog een fragment van een brief bewaard van een Cornelia van Keeren gehuwd met Gerrit Zoetelief aan Louisa van Scharenberg toen deze al weduwe was, waarin schrijfster haar terecht “tante” noemt. In het begin van de 20ste eeuw ging de jongste zoon van Pieter Willems Verberne nu en dan naar Harderwijk om daar een afstammelinge van de van Keeren’s te bezoeken.

In het doopboek wordt als natuurlijke vader een “Louis Schatsenberg” vermeld. In die tijd was er op Texel een Coenraad Louis Scharenburg, die in 1785 te Haarlem geboren was en sergeant was bij de 132-e Compagnie Kustbewaarders;het is niet onmogelijk dat hij de natuurlijke vader was , gezien zijn 2e voornaam Louis. Echter was er ook op Texel een R.K. familie Scha(a)tsenberg; een verschrijving in het doopboek is niet onmogelijk – dit kwam méér voor, speciaal als de inschrijving verricht werd door een nieuwe pastoor, nieuwe kapelaan of een vervanger.
De voornaam Louis komt wèl voor in de familie Scharenberg (zelfs vrij veelvuldig) maar niet in de familie Scha(a)tsenberg. Verder is daar nog de familieoverlevering: P.A. Willemsz Verberne (geb 1882) heeft schrijver dezes medegedeeld dat er indertijd op de Nieuwendijk te Amsterdam een zaak in galanterieën is geweest die ten name stond van een van Scharenberg; deze van Scharenberg zou familie zijn geweest van Louisa van Scharenberg.
Er zijn een paar eigenhandig geschreven brieven van Louisa van Scharenberg bewaard gebleven waaruit blijkt dat ze maar schamel onderricht in haar jeugd heeft gehad
Voor zover bekend ging het echtpaar wonen aan het Schilderend in een huis tegenover de woning van de meer genoemde notaris Bok.
Uit het huwelijk werden de volgende kinderen geboren:
Willem
{geb 28-05-1843 Den Burg
{† 24-09-1925 Leiden
Cornelia
{geb 06-08-1845 Den Burg
{† 13-02-1925 Den Burg
Jan
{geb 21-04-1847 Den Burg
{† 10-02-1935 Den Burg
Veronica
{geb 11-05-1849 Den Burg
{† 16-08-1943 Medemblik
Antonius Petrus
{geb 29-07-1851 Den Burg
{† 13-09-1928 Uithoorn
Opvallend in deze rij is dat de kinderen met grote regelmaat – om de twee jaar – geboren werden, dat de dochters en de zonen elkaar keurig afwisselden, dat ze allemaal volwassen werden en een gemiddelde leeftijd van 84 jaar bereikten.

Pieter Willems kinderen hebben meermalen verteld dat hun vader bevriend was met de Zuid-Limburgse dichter Joh. Michiel Dautzenberg (geb. Heerlen 1808, overleden 1869 te Elsene België);deze was eerst onderwijzer in zijn geboorteplaats maar later, na omzwervingen vestigde hij zich in Brussel waar hij een administratieve betrekking kreeg, maakte naam als dichter (nederlands). Ook dichtte hij in de Middel-Nederlandse taal (bv de bundel “Loverkens”). De vriendschap is mogelijk ontstaan te Maastricht of in België; beide vrienden scheelden slechts een jaar in leeftijd. Na terugkeer op Texel (ca 1830) schijnt de vriendschap onderhouden te zijn door briefwisseling (familieoverlevering); helaas is geen enkele brief bewaard gebleven.
Wèl bewaard gebleven zijn twee boeken die Pieter Willems cadeau kreeg op 29 juni 1867 (diens naamdag – Petrus en Paulus); van J.M.Dautzenberg: (Analogies linguistiques du flamant par P.Labracquy – uitgave van 1845) wat de opdracht: “Mijnen besten vriend Verberne op zijnen naamdag 1867” en een boekwerk “Zing-zang” van Dautzenberg’s schoonzoon Frans de Cort (geb 1804 te Antwerpen, overl 1878 te Elsene) met de opdracht: “Den waarden heers Verberne op zijnen patroondag, elsene, 29 juni 1867”. Dit cadeau was een door de gever samengestelde bundel Vlaamse liederen, waarin behalve de tekst, alleen de melodie was afgedrukt. Hieruit blijkt dat Pieter Willems Verberne eind juni 1867 zijn vriend Dautzenberg in Elsene bezocht. Elsene lag in 1867 iets buiten Brussel bij de Naamse Poort (Spiegel Historiaal Febr.1972). Pieter Willems Verberne maakte deze reis in gezelschap van zijn jongste zoon Antoon, die toen 15 jaar was; deze heeft zijn zonen meermalen over deze reis verteld.Vermoedelijk zijn ze per vlet of raderboot het Marsdiep overgestoken, daarna met de “Alkmaar Pakket” door het N.H. Kanaal naar Alkmaar gevaren en verder per trein; de heenreis duurde twee dagen – hoelang het verblijf in Elsene gerekt werd is niet bekend. Voor zover schrijver weet, behoorden Dautzenberg en de Cort tot de voorlopers van de Vlaamse beweging.
Pieter Willems moet de Franse taal goed hebben beheerst; minstens twee van zijn kinderen (Veronica en Antoon) hadden een uitgesproken voorkeur voor die taal. Als die twee op hogere leeftijd (de eerste jaren van de 20-ste eeuw) bij elkaar waren spraken ze menig woordje Frans; en Antoon vond het prachtig dat een van zijn schoondochters ook goed met het Frans overweg kon. Men zegt ook dat in het gezin van Pieter Willems Frans gesproken werd. maar daar kon Louisa van Scharenberg in ieder geval niet aan meedoen!

ls het middagmaal gereed was werden de kinderen aan tafel geroepen met: “Guillaume, Cornélie, Jean, Veronique, Antoine; Diner!” Er zijn twee wensjes bewaard gebleven die door de kinderen op 06-03-1857 aan hun moeder (ze werd toen 44 jaar) werden aangeboden; het wensje van de beide oudste kinderen – Willem, 14 jaar en Cornelia 12 jaar – was keurig in het Frans gesteld; ze zullen wel door hun vader zijn gemaakt. Men las “de Tijd” – als het waar is wat men mij verteld heeft moest een van de kinderen er een gedeelte uit voorlezen (des avonds). Kinderen die voor hun studie het licht’t mest nodig hadden mochten ‘s avonds het dichtst bij de lamp zitten. Wat muziek betreft: zoals reeds eerder is vermeld moet Pieter Willems niet onverdienstelijk fluit gespeeld hebben (zijn eenvoudige dwarsfluit is bewaard gebleven). Dat er een piano in huis was is volgens een kleinkind zeker; zoon Willem die uitgesproken muzikaal was, werd een goed amateur-organist, stemde de piano’s bij z’n broer Antoon en anderen; Veronica en Antoon speelden min of meer piano. Cornelia en Antoon tekenden graag; vooral Cornelia had daar wel aanleg voor. Er zijn een aantal tekeningen (jeugdwerk) van haar bewaard gebleven; verder heeeft haar dochter (Rina Smit) mij verteld dat haar moeder, toen zij in 1906 na bijna 30-jarigeafwezigheid van Texel met haar gezin terugkeerde naar het eiland, zij uit haar geheugen een schets heeft gemaakt van de situatie rond de in 1863 afgebroken R.K.Kerk; deze schets moet jarenlang in de Parochie hebben gehanngen. Schrijverdezes heeft er bij zijn nasporingen vergeefs naar gezocht.
Gezien het vermelde in de vorige alinea mag naar de mening van schrijver dezes wel de conclusie getrokken worden dat het culturele peil van het gezin van Pieter Willems Verberne boven het peil van dat van de gemiddelde Tesselaar lag, althans zeker boven het R.K. gedeelte der bevolking.

Om nog even terug te komen op het onderwijs van Pieter Willems Verberne: er waren klachten binnen gekomen van ouders dat Mesjeu bij zijn onderwijs Luther niet hemelhoog geprezen had en deswege werd hij bij de burgemeester op het matje geroepen. Pieter Willems hield echter z’n been stijf.Tot 1853 heeft Pieter Willems aan het Schilderend gewoond, tegenover het vroegere huis van notaris Bok; zeer waarschijnlijk zijn woonhuis en school niet onder één dak gevestigd geweest, aangezien volgens de brief van uitgeweken gewezen notaris Bok de school zich bevond op de hoek van de Weverstraat.

In het huis aan het Schilderend zijn al zijn kinderen geboren. In het begin van 1853 verhuisde Pieter Willems naar de Molenstraat hoek Kapersglop (thans Zwaanstraat) dat hij in 1853 van zijn broer Jan Willems Verberne had gekocht; deze broer was kapitein op de grote vaart en was eind 1852 of begin 1853 naar Rotterdam verhuisd. Dat die verhuizing naar de Molenstraat in 1853 plaats vond wordt bevestigd [20.] door een aantekening van Pieter Willems’ zoon Jan, die in 1891 het perceel verbouwde; deze heeft toen een document laten inmetselen (in loden koker) met een ruwe plattegrond van vóór en ná de verbouwing. Deze koker kwam bij een verbouwing in 1941 voor den dag en het bleek dat Jan Pieters Verberne op de schets had vermeld dat het schoollokaal van 1853-1880 voor het onderwijs was gebruikt.
Van de geschiedenis van dit huis nog iets achterhaald worden. Wanneer het gebouwd werd is onbekend. In 1805 was het eigendom van een Jan Sprong, die getrouwd was met een nicht (oomzegster) van Jan Trammelant. Deze had nl een zuster Marijtje Pieters Verberne (zie blz.6), die in Juni 1765 op Texel trouwde met de Terschellinger Foppe Jacobszn Oosterling. Uit dit huwelijk werd op 30-08-1769 een dochter Antje Oosterling geboren (gedoopt) die met bovengenoemde jan Sprong trouwde; hij was zeeman een keerde niet meer van een zeereis terug – in 1814 werd hij geacht verdronken te zijn. Deze Jan Sprong had volmacht gegeven aan zijn (aangetrouwde) oom Jan Trammelant en aan diens volle neef Jan Simons Ran; deze verkopen op 17 april 1805 dit huis voor ƒ500,= “gereed” geld aan een Geert Michielsszn Hillenius, die het tot zijn dood (op 11-06-1845) in bezit hield, dus 40 jaar. Of en wat hij er eventueel aan verbouwd heeft is niet bekend; schr meent van niet. Wel is bekend dat hij het terrein heeft uitgebreid: op 25-11-1825 kocht hij nl van zijn buurvrouw Aaltje Kopjes voor ƒ25,= een aangrenzend stukje grond “30 ellen groot”, gelegen aan het Kapersglop. Ook kocht Hellenius op 07-06-1828 een regenput, die op zijn terrein gelegen was, voor ƒ15,= van Hendrik Cornelis Verberne. Deze H.C. Verberne was mogelijk schoonzoon of familie van Aaltje Kopjes, want hij was getrouwd met een Pietertje Kopjes.
De erfgenamen van Geert Michielszn Hellenius verkopen het huis op 25-02-1845 (publieke veiling) aan Jannetje Verberne-Hopman (het was 6 roeden en 10 ellen groot), de echtgenote van Kapitein Jan Willems Verberne (broer van Pieter Willems Verberne), die buitengaats was en aan zijn vrouw volmacht had gegeven. De koopprijs bedroeg ƒ1045,=.

Eind 1852 of begin 1853 verkoopt Jan Willems wegens vertrek naar Rotterdam het gehele complex aan zijn broer Pieter Willems voor een bedrag van ƒ1500,= of ƒ1600,= (er worden twee bedragen genoemd in de stukken). De prijs die Jan Willems voor zijn huis maakte lag ruim 50% hoger dan hij er ruim 6 jaar geleden voor betaalde. Dit belangrijke prijsverschil kan niet verklaard worden door devaluatie of prijsstijging der woningen. Het lijkt aannemelijk dat de oorzaak der waardevermeerdering gezocht moet worden in een flinke verbouwing die Jan Willems heeft laten verrichten.
Het lijkt schr. toe dat hij het lapje grond dat Geert Michiels Hellenius in 1825 van Aaltje Kopjes kocht (het latere schoollokaal) heeft bebouwd. Toen hij het complex kocht had hij zes kinderen, waarvan de ousdte 14 jaar was ( in 1847 kwam de 7e erbij): het was dus een gezin van 9 personen. Het huwelijk van Geert Michiels Hellenius en diens vrouw Trijntje Keizer was kinderloos gebleven en kon dus met heel wat minder ruimte toe.Voor Pieter Willems Verberne moet de woning aantrekkelijk zijn geweest omdat hij school en woning onder één dak kreeg en genoeg ruimte voor zijn gezin van 7 personen.
Op 18-04-1853 erkent Jan (die toen al in Rotterdam woonde) van Pieter Willems een bedrag van ƒ600,= te hebben ontvangen (koopprijs ƒ1600,=).
Deze Jan verdronk met 2 zonen eind oktober of begin november 1855 in de Indische Oceaan – het schip verging met man en muis. Volgens de familieoverlevering zou het zijn laatste reis zijn geweest en zou hij daarna een baan “aan de wal” hebben verkregen. Hij was 51 jaar, zoon Willem 20 jaar en zoon Antoon pas 15 of 16 jaar: een smartelijk verlies! Op 28-08-1861 wordt er een contract tussen de weduwe en Pieter Willems opgemaakt over dezelfde koop waarin een prijs van ƒ1500,= wordt genoemd; op 02-04-1865 erkent de weduwe een bedrag van ƒ1600,= hebben bedragen. Tenslotte gaf de weduwe in 1874 [21.] haar zwager Pieter Willems finale kwijting “van alle administratieve en finantieele werkzaamheden door hem gehouden over mijn eigendommen te Texel als daartoe gevolmacht bij Notarieële acte vanaf 1859 tot den dag van den finalen afloop van dit beheer den 15 maart 1874”: (heden 15 maart 1874).

Leave a Reply