Verberne

De naam Verberne komt op Texel voor het eerst voor bij de doop van de kinderen van Jacob Jansz Verberne en Maritie Jans Verhees in de jaren 1702-1708. Een generatie later blijkt, dat het gezin groter geweest moet zijn dan uit het doopboek moet zijn af te leiden. De oudste kinderen moeten dus elders zijn gedoopt. De voorvoegsels “Ver” in de namen van het echtpaar deden al afkomst uit Zuid-Nederland vermoeden. In Brabant was de naam Verberne in de 17e eeuw vrij algemeen. De heer H.W.J. Verberne, Vught, vond tenslotte het huwelijk van het Texelse stamechtpaar in Lierop (Noord-Brabant). Ook de doop van Maritie Verhees was aldaar opgetekend.

De afstamming van Jacob Jansz Verberne kon nog niet worden achterhaald. Bij zijn ondertrouw in 1692 was Judocus (Joost) Verberne getuige; misschien was dit dezelfde als Joost Michielsz Verberne (geb. 1672 te Lierop, overleden 1739 te Den Helder), die in 1702 op Texel als getuige optrad bij de doop van Geertuij Jacobs Verberne. Jacob Jansz Verberne zou b.v. een zoon geweest kunnen zijn van Jan Marcelisz (=Michielsz?) Verberne, tinnegieter van beroep en enkele malen schepen van Eindhoven, die gehuwd was met Jenneke Jans, dochter van Jan Hendriksz Schenaerts (Gem. Archief Eindhoven, 19-10-1648, R44).

Volgens de heer H.W.J. Verberne werd reeds in 1578 Goordt (Joost?) Janssoon Verberne als schepen van Lierop vermeld. De betekenis van de naam moet waarschijnlijk worden gezocht in het plaatsje Bern bij Heusden of misschien in het klooster Berne nabij Heeswijk. Op Texel werd de eerste tijd de naam nog wel eens als VerBern of Van Benne geschreven.

jj1711

Jacob Jansz Verberne 1711

Jacob Jansz Verberne was winkelier en koopman. In die dagen trokken nogal wat inwoners van die streken – vooral uit Belgisch Limburg – er als reizende kooplieden op uit om in de noordelijke Nederlanden en Duitsland hun geluk te beproeven. Zij werden teuten genoemd. Gewoonlijk keerden zij ‘s winters naar hun woonsteden terug. Het is aannemelijk, dat Jacob Jansz Verberne op deze manier op Texel is beland. Blijkens een akte van 3-2-1710 (RAH N.A. 4843) trok hij met de mars het eiland rond. Hem was verzocht de goederen te taxeren van Sara Barmentloo, eigenaresse van het buiten Brakestein. De aanduiding “koopman in lakens” was in deze akte doorgehaald, blijkbaar omdat hij ook in andere goederen handelde. Jacob Jansz Verberne moet omstreeks 1717 zijn overleden.
Na de dood van haar man verhuisde Maritie Verhees naar Amersfoort. Drie van haar kinderen traden daar in het huwelijk. Hun nageslacht is niet verder nagegaan, met uitzondering van de afstammelingen van Jacobus Andriesz Verberne, die zich weer op Texel vestigde. Bijna alle Verberne’s zijn rooms-katholiek. Een uitzondering vormen de nakomelingen van Ludolphus Jacobusz Verberne (Vb 86), die met een protestantse vrouw trouwde.

In tegenstelling tot de geslachten Dijt en Zijm, waarvan de leden bijna zonder uitzondering boer waren en zo mogelijk bleven, wijdden de Verberne’s zich voornamelijk aan handel, scheepvaart en ambachten, met alle wisselvalligheden die daaraan waren verbonden. Daaruit laat zich ook de veel sterkere geografische spreiding van het geslacht verklaren. Van oorsprong al niet Texels, kwamen vele Verberne’s door hun beroep al spoedig in plaatsen als Den Helder, Enkhuizen en Amsterdam. Zij schuwden het avontuur niet om nieuwe bestaansmogelijkheden aan te grijpen.

De oudste zoon van Jacob Jansz Verberne en Maritie Verhees, Jan (1694-1767) was de eerste die de onzekerheden van de handel de rug toekeerde en zich als boer vestigde, daartoe waarschijnlijk in staat gesteld door het vermogen van zijn vrouw, Jantje Claes Dekker. Zijn afstammelingen waren boeren in de Westermient.

Jillis en Pieter Jacobz Verberne namen in 1727 het schildersbedrijf van Gerrit van Lodijck in de gasthuisstraat in Den Burg over. De twee zoons van Pieter Jacobsz Verberne, Jacob (geb.1737) en Jan (1739-1814) werden kapiteins op de grote vaart. Jan Pietersz Verberne, gehuwd met Martje Cornelis Burger uit Oudeschild, woonde lange tijd in Oudeschild, maar bracht zijn oude dag door in de Gasthuisstraat te Den Burg, waar hij toen het beroep van molenaar uitoefende. Zijn jongste zoon Simon (1775-1837) zette het molenaarsbedrijf voort, en diens dochter Antje trouwde met de korenmolenaar Hendrik Willemsz Keesom uit de Zijpe. Een andere zoon van kapitein-molenaar Jan Pz Verberne, Cornelis (1770-1827) werd grossier in sterke dranken en wijnen en deed daarnaast ook niet iets aan het boerenbedrijf. Hun broer Willem (1773-1845), aanvankelijk kaagschipper, werd later onderwijzer in Oost; tot zijn afstammelingen behoort de historicus prof. L.G.J. Verberne (1889-1956).
Er was nog een kapitein in de familie, ook een Jan Pietersz Verberne (1761-1845), een zoon van Pieter Jillisz Verberne, die ter onderscheiding van zijn vader’s neef Jan Verberne junior werd genoemd. Hij maakte verre reizen en handelde in alle voorkomende waren. Uit een voor de Texelse schepenbank op 31-12-1807 gevoerd proces (RAH O.R. 6847) weten we, dat hij in 1803 en 1804 voor Hendrik Maartensz Dekker op de publieke veiling op Mauritius een slaaf en een slavin had verkocht. Zij breachten 338½ Spaanse mat op of wel ƒ888 en 11 stuivers. Deze kapitein is de stamvader van de Helderse tak van de familie Verberne; zijn afstammelingen waren ook zeelieden.

Andries Verberne, de jongste zoon van het stamechtpaar (tweeling met Pieter) trouwde in Amersfoort, maar zijn zoon Jacob (1732-1782) keerde als grutter en koopman naar Den Burg terug. De laatste trouwde met Margaretha de Freij, dochter van herbergier Ludolphus de Freij. Deze tak is in de omgeving van Enkhuizen terecht gekomen.

Op Texel waren rond 1900 nog maar weinig Verberne’s over. Pieter Jansz Verberne (1886-1968), veehouder in Spang, een achterkleinzoon van de grossier in sterke dranken Cornelis Jansz Verberne, zorgde er echter voor, dat ook daar de naam bleef voortbestaan.

Leave a Reply