Texelse Geslachten – Door Dr. M.D. Dijt en Mr. J.S.M. Dijt
Encyclopedie van Texelse Familienamen
Het spreekt vanzelf, dat niet alle personen die ooit op Texel hebben gewoond in deze encyclopedie van familienamen konden worden behandeld 1. Om het aantal te beperken hebben wij in de eerste plaats allen, die zich na 1850 op het eiland vestigden, buiten beschouwing gelaten. Bij de namen die al voor die tijd voorkwamen hebben wij de vermelding laten afhangen van de omvang en de betekenis van de families. Uitgestorven geslachten, die eens uitgebreid waren, zijn wel behandeld, zeker als zij via vrouwelijke lijnen ook thans nog vele nakomelingen hebben nagelaten. Personen en families, die hun stempel op de geschiedenis van het eiland hebben gedrukt, hebben wij eveneens opgenomen, ook als zij genealogisch geen verdere betekenis hadden. De meeste aandacht is geschonken aan oer-Texelse geslachten, wier nazaten ook thans nog op het eiland leven.
Herkomst
Het is moeilijk na te gaan waar de Texelse bevolking oorspronkelijk vandaan is gekomen. Archeologische onderzoekingen van de laatste jaren hebben een vroeg-middeleeuwse nederzetting nabij Den Burg aan het licht gebracht. Aangenomen mag worden dat de bewoners hiervan later naar Den Burg zijn vertrokken en dat hun afstammelingen de kern van de latere bevolking hebben gevormd. Omstreeks 1500 telde het eiland al 4500 inwoners. Gezien de beperkte oppervlakte en de ongeschiktheid van veel gronden voor de landbouw kan maar een gedeelte van deze mensen zijn levensonderhoud in het boerenbedrijf hebben gevonden. Visserij en zeevaart zijn vanouds belangrijke bronnen van inkomsten geweest. Boeren bleven dicht bij huis. In de boerenfamilies is dan ook in de loop der eeuwen maar weinig “vreemd” bloed binnengekomen. Vissers hadden meer contacten met naburige plaatsen en zeevaarders trokken ook wel naar verder afgelegen steden en streken. In tegenstelling tot hetgeen men bij een eiland zou verwachten , is er altijd veel uitwisseling geweest tussen Texel en de overkant, zelfs met het buitenland.
Bij de ruim 450 familienamen in deze encyclopedie zijn ca 560 verschillende families besproken. Meer dan de helft, 320, was zeker of waarschijnlijk van Texelse oorsprong. Uit de rest van Nederland kwamen zeker 141 en waarschijnlijk nog eens 44 families. 38 geslachten hadden Duitsland tot bakermat, een aantal dat waarschijnlijk nog met 12 moet worden verhoogd. Frankrijk en Zweden leverden elk twee families, Noorwegen en Portugal beide één.
De functie van de rede van Texel als punt van aankomst en vertrek van de handelsvloot van Amsterdam heeft in de 17de en 18de eeuw een enorme bedrijvigheid veroorzaakt, vooral in Oudeschild. Het ligt voor de hand, dat de bevolking van dit dorp voor een groot deel van elders is gekomen, maar wegens het ontbreken van trouwboeken van Oudeschild vóór 1766 weten we niet vanwaar.
De economische betekenis trok velen naar Texel. Sommigen kwamen als overheidsfunctionarissen: Kikkert, (katelein van Eierland), Dalmeijer (dienaar van justitie), Brans (luitenant-geweldige) en Langeveld (schout). Anderen als koopman (Verberne), kapitein (Witte), zeevaarder (Dros, Van der Vlis), onderwijzer (Abbenes), doopsgezind leraar (Schuil) of chirurgijn (Van Heerwaarden).
Met de verplaatsing van het loodswezen naar Den Helder (omstreeks 1830) verlieten ook velen die bij handel en scheepvaart betrokken waren het eiland.
De inpoldering van Eierland veroorzaakte een immigratiegolf van landarbeiders en boeren, die hoofdzakelijk werden gerecruteerd uit de bevolking van de Zuidhollandse eilanden en Noordwest-Groningen. De laatste eeuw hebben steeds meer oorspronkelijke bewoners het eiland verlaten.
Familienaam
Oudtijds hadden de mensen geen familienamen. Behalve door de doopnaam werd men onderscheiden door de vadersnaam (het patronymicum of patroniem), dus: Cornelis Jansz, Pieter Hendriksz, Reijer Klaasz enz. .. Ook de vrouwen werden op deze wijze genoemd: Martje Dirks, Antje Willems, Reijnoutje Nannings enz.. In de oudste Texelse belastingregisters, de tiende penning van 1545 en 1561, komen maar enkele achternamen voor, w.o. Boon, Duijnker, Keijser en Vlamingh. Op den duur kreeg men behoefte aan een nadere aanduiding, soms naar het beroep (Bakker, Drijver, Kuiper, Roeper, Smit), naar de plaats van herkomst (Duinker, Dijksen, Kooger, Van der Schans, Zutphen), naar een eigenschap (Groot, De Lange), of met een bijnaam, vaak ontleend aan dieren en vissen (Kalf, Schaap, Mossel, Salm, Schar, Schelvis). Deze laatste namen kunnen ook van een beroep zijn afgeleid. Ook het patroniem was een belangrijke bron voor de naamsvorming. Hendrik Jansz, zoon van Jan Biemsz, werd Hendrik Jansz Biem; Simon Cornelisz, zoon van Cornelis Siemonsz, werd Simon Cornelisz Zym. Evenals in Noord-Holland scheen er op Texel een voorkeur te bestaan voor korte namen: Bas, Boon, Bruin, Buis, Dijt, Hin, Kuip, Ran, Reij, Zijm enz.. Langere namen wijzen vaak op herkomst van elders, b.v. Abbenes, Dalmeijer, Van Heerwaarden, Hillenius, Langeveld, Van der Sterre, Verberne, Vermeulen, Van der Vis.
In het begin waren deze namen nog geen familienamen, d.w.z. namen die van vader op zoon overgingen. Op Texel en in de kop van Noord-Holland was het zelfs een algemeen gebruik om bij vernoemingen zowel de voor- als de achternaam van de vernoemde persoon over te nemen1). Voorbeelden daarvan zijn er te over. Op blz. 2 van TG I zien we dat Sijbrand Cornelisz Koning en Geertje Jacobs Bas hun oudste zoon Pieter Keijser noemden, naar Sijbrands grootvader Pieter Dirksz Keijser. De tweede zoon Jacob Bas heette naar zijn grootvader aan moederzijde Jacob Leendertsz Bas, terwijl de andere zoons evenals de vader Koning als achternaam kregen. Een sterk voorbeeld van een gezin waarin verscheidene achternamen voorkwamen vinden we bij de kinderen van Cornelis Hendriksz Boersen en Anna Cornelis Keesoom (gehuwd in 1692). De vier zoons heetten Willem Cornelisz Hans, Cornelis Cornelisz Vooght, Reijer Cornelisz Boersen en Cornelis Cornelisz Keesoom!!
Geleidelijk werd het gebruik van achternamen meer algemeen, terwijl men ook afstapte van de afwijkende gewoonten bij de vernoemingen. Na 1750 hadden bijna alle Texelaars een familienaam, al werd die niet altijd gebruikt. Bij vrouwen had men blijkbaar ook minder behoefte aan een achternaam, zodat tot in de 19de eeuw patroniemen bleven voorkomen. Met de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 werden de familienamen vastgelegd. Door ambtelijke onnauwkeurigheden zijn ook daarna nog variaties ontstaan, zoals Backer/Bakker, Van Heerwaarde/Van Heerwaarden, de Porto/du Porto en Kuiper/Kuijper.
Godsdienst
Voor 1800 behoorde iedereen tot een kerkgenootschap. De kerken beperkten zich niet tot het religieuze leven maar hadden ook een belangrijke functie bij de sociale zorg. Met de registratie van dopen en het sluiten van huwelijken vervulden zij ook taken, die thans onder de Burgerlijke Stand vallen. Hierbij moet wel worden aangetekend, dat alleen het in de gereformeerde kerk gesloten huwelijk door de overheid werd erkend, vandaar dat men b.v. in het trouwboek van de gereformeerde kerk van Oosterend ook veel huwelijken van doopsgezinden tegenkomt. (Katholieken en doopsgezinden konden zich voor de bevestiging van hun echtvereniging ook wenden tot de schepenbank.) De volgende tabel geeft de verdeling van de Texelse bevolking naar godsdienstige gezindten in 1830.
Zie een artikel van M.D. Dijt: “Merkwaardigheden bij de naamvorming in de kop van Noord-Holland en op de eilanden Texel en Wieringen” in “Onze voorouders en hun Werk”, blz. 37. Uitgaven van de Nederlandse Genealogische Vereniging, postbus 976, Amsterdam; 1971.
Volkstelling 1830
uitgesplitst naar de dorpen en godsdienstige gezindten
Gereformeerd
Rooms-katholiek
Doopsgezind
Evang.-Luthers
Anderen¹⁾
Totaal
Den Burg
560
413
267
6
25
1271
Oudeschild
902
333
30
7
3
1275
Oosterend
582
56
124
3
3
768
Den Hoorn
541
109
130
3
–
783
De Waal
102
16
66
–
–
184
Waalenburg
30
8
24
–
–
62
De Koog
46
33
38
–
–
117
T E X E L
2763
968
679
19
31
4460
1. Onder wie 6 Remonstranten in Den Burg, 8 Israëlieten in Den Burg en 3 in Oudeschild.
Aangenomen mag worden, dat de onderlinge verhouding gedurende de 18de eeuw niet sterk is gewijzigd. Waarschijnlijk is het aandeel van de doopsgezinden in de 17de eeuw groter geweest. De geloofsrichtingen waren niet gelijkmatig over het eiland verdeeld. De omgeving van De Waal was een bolwerk van doopsgezinde boeren. Katholieken waren naar verhouding sterk vertegenwoordigd in Den Burg, De Westen en De Koog, daarentegen betrekkelijk zeldzaam in de omgeving van De Waal en Oosterend. Den Hoorn had een aparte, zij het zeer kleine, doopsgezinde gemeente. Onder de boerengeslachten treffen we veel doopsgezinden en katholieken aan. Zeelieden waren overwegend gereformeerd. Dit neemt niet weg, dat er ook tal van doopsgezinde kaagschippers en katholieke loodsen waren.
Natuurlijk waren de schotten ook vroeger niet waterdicht. Geloofsovergangen van protestant naar katholiek en omgekeerd kwamen nu en dan voor, gewoonlijk als gevolg van een huwelijk. Zo kreeg de van oorsprong gereformeerde familie Huisman een uitgebreide katholieke tak en splitste zich van een r.k. familie Bakker een protestantse tak af, die zich later Backer met ck liet schrijven. Gemengde huwelijken tussen doopsgezinden en gereformeerden waren vrij algemeen. Er zij hier nogmaals op gewezen, dat de aanduiding “gereformeerd” ook de hervormden omvat. Deze splitsing dateert pas van 1834; het voordien bestaande onverdeelde calvinistische kerkgenootschap werd altijd de gereformeerde kerk genoemd.
Beroep
Naast de herkomst, de verklaring van de naam en de beleden godsdienst zijn vooral de uitgeoefende beroepen van groot belang voor de familiegeschiedenis. In het alfabetisch namenoverzicht zijn dan ook zoveel mogelijk de overheersende beroepen bij de families vermeld. Helaas zijn de gegevens hieromtrent vaak gebrekkig en moeilijk op te sporen. Op de volgende pagina is een algemeen overzicht opgenomen, door ons samengesteld uit de in 1742 op Texel gehouden beroepstelling.
Een helder inzicht in het doen en laten en wel en wee van onze voorouders is niet mogelijk zonder kennis van de algemene en plaatselijke geschiedenis. Zoals uit de beroepenlijst blijkt, leefden de Texelaars vroeger in hoofdzaak van de zee. Wij mogen aannemen, dat de bewoners veel aan visvangst hebben gedaan. De grote bloeiperiode van het eiland begon echter pas met de expansie van de handelsvaart, die de rede van Texel tot uitgangspunt had.
Beroepstelling 1742
TEXEL
Den Burg
Den Burg omgeving
Oudeschild
De Westen + Den Hoorn
De Waal
Oosterend
De Koog
Bestuur + Belastingen
20
13
–
3
2
–
1
1
Geestelijkheid
11
8
–
1
1
–
–
1
Onderwijs
10
3
–
3
1
–
1
2
Medische verzorging
14
5
–
3
2
1
2
1
Zeelieden
575
81
18
132
151
7
136
50
Boeren
212
44
34
3
31
48
39
13
Winkeliers en Ambachtslieden
281
128
–
55
49
11
33
5
Arbeiders
65
12
12
8
16
7
6
4
Overigen
14
8
–
5
–
–
–
–
Totaal
1202
302
64
213
253
74
219
77
Oudeschild, pas in het begin van de 17de eeuw ontstaan, was aan het einde van de 18de eeuw uitgegroeid tot een plaats, die in inwonertal en economische betekenis de hoofdplaats Den Burg naar de kroon stak. De bevoorrading van de schepen, de watervoorziening (uit de Wezenputten bij Brakestein), het loodswezen, het vertier van de schepelingen, de verbindingen met Amsterdam en de vertegenwoordigingen van admiraliteit en rederijen, dit alles gaf vele handen werk. Tal van Texelaars verdienden een goede boterham als kaagschippers, d.w.z. als schippers van lichters die de scheepsladingen van en naar Amsterdam vervoerden. Zij woonden in Oosterend, Den Burg, Oudeschild en Den Hoorn.
In Den Hoorn was een groot deel van de mannelijke bevolking als loods werkzaam. Ook woonde in dit dorp een aantal grootschippers, kapiteins op de grote vaart. Oudeschild had, ook naar herkomst, een sterk gemengde bevolking. Behalve veel loodsen en een aantal kaagschippers treffen we hier herbergiers, grossiers en detaillisten in bieren en wijnen, nogal wat broodbakkers en de schippers van de landschuit, van de postschuit en van de praaischuit. Veel bewoners van Oudeschild bleven maar korte tijd in dat dorp.
Den Burg was het bestuurlijk centrum. Hier woonden functionarissen als de baljuw, de secretaris, de dienaars van justitie, de deurwaarder, de belastingambtenaren (impostmeesters en collecteurs) en de kastelein van Eierland; verder veel ambachtslieden en winkeliers, boeren (al dan niet rentenerend), maar ook veel kapiteins, kaagschippers en andere zeelieden. Alle dorpen hadden natuurlijk hun predikanten, schoolmeesters en chirurgijns; in De Waal en De Koog moest men de dokter echter uit Den Burg laten komen.
In Oosterend leefden boeren en zeelieden dooreen. In Oost en Zevenhuizen woonden opmerkelijk veel kaagschippers. Velen in deze buurt vonden lange tijd een bestaan in de oestervisserij. Hun afstammelingen hebben in deze eeuw de Texelse Noordzeevisserij tot bloei gebracht. Nieuweschild, na 1650 opgekomen als een soort dependance van Oudeschild, kende slechts een kortstondige bloei. Deze nederzetting van loodsen ging na het verloop van de zeevaart geheel te gronde.
De Koog moet nog in de 16de eeuw een welvarend vissersdorp zijn geweest – er woonden toen naar schatting meer dan 1000 mensen – maar is al voor 1700 in verval geraakt. Ook later waren de meeste inwoners nog zeelieden. De schrale gronden in deze buurt leverden maar een karig bestaan. In 1742 woonde er nog één walvisvaarder, een commandeur op Straat Davis. Dit veeleisende, avontuurlijke en gevaarlijke, maar dikwijls ook zeer winstgevende beroep werd in de loop van de 18de eeuw door tientallen Texelaars uitgeoefend. Anders dan op andere waddeneilanden herinnert nog maar weinig aan hun bestaan.
De boerenbevolking was niet gelijkmatig over het eiland verdeeld. De lage gronden tussen De Waal en Oudeschild alsmede de Hemmer waren minder geschikt voor bewoning. Zo viel Texel eigenlijk in een aantal eilanden uiteen. Van Oost via Oosterend tot De Waal lag een aaneengesloten agrarisch gebied met de buurten Zevenhuizen, Harkebuurt, De Nes, Spijkdorp, Spang, Molenbuurt en Bargen. Rond Den Burg vormden de Hogeberg, Westergeest, Noord- en Zuidhaffel, Driehuizen, Akenbuurt en De Westen een tweede hoger gelegen gedeelte, dat via Ongeren en Tienhoven in verbinding stond met De Waal. De Westen was eens het voornaamste dorp van het eiland, maar ging al in de 15de eeuw sterk achteruit. De kerktoren van De Westen, de laatste herinnering aan de oude glorie, werd in 1859 gesloopt. De Koog en Den Hoorn lagen betrekkelijk apart. Walenburg bleef, de hoge noordwestrand uitgezonderd, altijd een “lege” polder.
Vanouds zijn de Texelse boeren schapenfokkers geweest. Wol en schapekaas waren de belangrijkste produkten. De lammeren werden naar de overkant verkocht. Koeien werden voornamelijk gehouden voor de melk- en zuivelvoorziening van het eiland. De landbouw had weinig betekenis. Bij de natuurlliefhebbers staat Texel nog bekend als het vogeleiland. Eens moet de vogelrijkdom onvoorstelbaar groot zijn geweest. Ook dit vormde een bron van inkomsten. In de eendekooien werden talloze eenden gevangen en vooral naar Amsterdam uitgevoerd. De kastelein van Eierland verdiende aardig aan de meeuwe- en eendeneieren, die daar voor het oprapen lagen. (Men leze de Brieven over Texel van Pieter van Cuijck.) De strandvonderij bracht voor de overheid geld in het laatje, maar de jutters van Den Hoorn en De Koog pikten ook een graantje mee.
Bij de beroepstelling van 1742 valt het geringe aantal arbeiders op. Onder de zeelieden waren natuurlijk ook veel schippersknechts en andere schepelingen, die thans tot de werknemers zouden worden gerekend, maar toch was Texel vooral een eiland van kleine zelfstandigen: schippers, boeren, kooplui en ambachtslieden. De afstand tussen boer en knecht was niet zo groot. Wel gaapte er een diepe kloof tussen de Texelse burgerij en de hoge heren van het vasteland, zoals de baljuw en de vertegenwoordigers van de admiraliteit.
Toen de scheepvaart als motor van het economisch leven wegviel en de zeelieden Texel verlieten of naar andere middelen van bestaan moesten omzien, bleven de boeren. Texel, eens een centrum van bedrijvigheid, werd een afgelegen, moeilijk bereikbaar en slechts door weinigen bezocht eiland. Ook in de 19de eeuw stond de ontwikkeling echter niet stil. De inpoldering van Eierland (1835), de Prins Hendrik polder (1848) en Het Noorden (1877) vergrootte het oppervlak, trok nieuwe bewoners aan en verbreidde de agrarische basis – ook al voldeden vooral de beide laatstgenoemde polders aanvankelijk niet aan de verwachtingen.
Toch veranderde er in wezen weinig. Pas de laatste tientallen jaren, met hun grote mobiliteit, snelle communicatie en sterk gestegen welvaart, hebben zowel de samenstelling van de bewoners als het aanzien van het eiland, en ongetwijfeld ook de mentaliteit van de inwoners, grondig gewijzigd. Veel wadels is daarbij verloren gegaan. Zij, die in een wervelende wereld zoeken naar de wortels van hun bestaan, zullen in de oorsprong en geschiedenis van hun geslacht iets terugvinden van de rust en de eenvoud, waarmee onze voorouders door het leven zijn gegaan.
In mijn onderzoek naar de geschiedenis van de Texelse tak van de familie Verberne kwam ik een aantal kapiteins tegen. Een deel van hun geschiedenis uit de tweede helft van de 18e eeuw is op deze website, onder de kop “Geschiedenis“, uitgebreid beschreven door Harry Verberne in zijn publicatie zonder titel uit 1973.
Bij de meervoudig voorkomende namen betreft het een en dezelfde persoon. Mogelijk m.u.v. ‘t Nieuwe Fortuin.
Scheepstypen
Vanwege mijn belangstelling voor geschiedenis, familiehistorie en modelscheepsbouw was het bestaan van deze kapiteins voor mij dan ook extra interessant. In de beschrijving van Harry Verberne worden een aantal scheepsnamen genoemd.
Het leek mij dan ook erg interessant om uit te vinden wat voor type schepen dit precies waren en wat zij zoal vervoerden. Ik nam hiervoor contact op met het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Al vrij vlot ontving ik de hiernaast en hieronder getoonde reactie.
Tweede schip van links is een fregat genaamd ‘t Fortuyn
Ik wilde niet alleen weten op welk type schip deze Verberne’s voeren, maar ook wat voor vracht zij vervoerden. Zo ontdekte ik dat reizen naar de Levant, Venetië, Genua en Griekenland werden ondernomen om limoenen en pijpenwijn (400 liter houten vaten) in te slaan. In de Leidsche Courant van 1772 is de binnenkomst te lezen van kapitein Jan Verberne met zijn schip uit Livorno. Kapitein Willem (Lamoen) Verberne haalde citrusfruit uit de Levant en Griekenland.
FregatSnauwKaag
Slavernij
Maar het bleef niet alleen bij goederen. Ook levende have werd vervoerd. Met name slaven. Het wordt wel eens vergeten dat de Nederlandse Gouden Eeuw het gevolg was van de handel niet alleen in specerijen, maar vooral ook slaven. In die tijd werden zo’n 12.000 slavenreizen ondernomen door de Nederlanders, Fransen, Spanjaarden, Britten en Portugezen. Letterlijk goud werd er verdiend aan het bloed, zweet en tranen van de slaven.
Aan deze zwarte bladzijde werkten ook Verberne’s mee. Zo veilde Kapitein Jan Pietersz Verberne (1761-1845) in 1803 en 1804 slaven op Madagaskar. Zij brachten 338½ Spaanse mat op of wel ƒ888 en 11 stuivers. Omgerekend naar de huidige economische waarde betekent dit een opbrengst van ongeveer € 100.000,=! Het laat duidelijk zien hoe lucratief de slavenhandel was. Vervolgens “vergat” Jan Pietersz de opbrengst af te dragen aan Hendrik Maartensz Dekker bij terugkomst in Nederland. Dekker was waarschijnlijk een van de investeerders van de reis. Een daad waarvoor hij dan ook werd veroordeeld door de Texelse schepenbank. Het is hierdoor goed te begrijpen dat Hendrik Maartensz Dekker hier een zaak van maakte. Het ging tenslotte om heel veel geld.
Snauw ‘Venetië” zoals gebruikt werd voor de slavernij.
Ik ontdekte dat een Snauw met name gebruikt werd voor de slavernij. Met deze kennis besloot ik om een model van een Snauwschip te bouwen zoals waar Jacob Pietersz Verberne het commando over had. Het model is nog in aanbouw met een aan stuurboord opengewerkte zijkant, waarbij de opeengepakte slaven zichtbaar gemaakt zijn. Het grote schot midscheeps is om de slaven te scheiden van de bemanning bij een eventuele uitbraak. Op de kopse kant van het schot waren scherpe ijzeren spiesen bevestigd om al te enthousiaste klimmers te ontmoedigen.
Driehoekshandel
Nederlands en Engels slavenfort
De driehoekshandel was een simpele, maar effectieve manier om heel veel geld te verdienen. In Nederland werd het schip volgestouwd met producten die in het buitenland verkocht konden worden. Potten, kannen, kralen, spiegels en alles wat je maar kunt verzinnen wat in Afrika verkoopbaar was.
De lege ruimten in het schip werden gevuld met slaven die waren ontvoerd in het binnenland van Afrika en gevangen werden gehouden in de Nederlandse forten langs de Afrikaanse kust tot er weer een schip verscheen om ze op te halen. Als er te weinig slaven waren, dan zette de kapitein zelf een jachtpartij op touw van bemanningsleden naar het binnenland van Afrika om geschikte kandidaat slaven te vangen. Of te vertrekken naar andere forten om daar slaven op te halen. Zodra het schip gevuld was, dan vertrok het naar de Caraïben, Suriname en Amerika om ze daar te veilen. Tijdens de reis stierf tussen de 15 en 25%, op sommige reizen zelfs tot 40% van de slaven. Hun lijken werden tijdens de reis simpelweg overboord gegooid.
Eenmaal leeg werden de schepen gevuld met suiker en tabak van de plantages, waar de slaven zich aan doodwerkten en vertrok het schip weer naar Nederland. De enorme winsten die hiermee werden gemaakt zorgden voor de Gouden Eeuw in Nederland.