In 2009 ontving ik van mijn neef B. Verberne een fotokopie van een Uitgave van de Historische Vereniging Texel, nummer 18 uit 1991. De kwaliteit van de kopie was niet ideaal en gelukkig vond ik een digitale versie in het Regionaal Archief Alkmaar.
Wegens copyright kan ik slechts een paar citaten plaatsen.
De gehele uitgave is te lezen op de website van het Regionaal Archief Alkmaar. Er staan interessante en amusante beschrijvingen in met foto’s van de Texelse bevolking.
Blz.3:
Jacob Jansz Verberne
"De textielhandel was door rondtrekkende marskramers op Texel al sinds 1700 bekend. Deze eer komt toe aan Jacob Jansz. VERBERNE (1664 -1713/4). De Verbernes zijn afkomstig uit Brabant, wonende in de omgeving van Lierop. Samen met een ongehuwd familielid, Joost Michielsz. Verberne (1672-1739) die handelaar in dekens was en in 1704 een huis in de Binnenburg bezat doch daar nimmer heeft gewoond, deed Jacob Jansz. Verberne ook zaken in Schagen, Wieringen en Den Helder. In de laatstgenoemde plaats is Joost Verberne overleden. In 1702 had Jacob Jansen Verberne zich met zijn gezin op Texel gevestigd toen hun derde kind werd geboren. Uit enige akten is gebleken, dat hij " met z'n mars aan 't Schild was" koopman in laken, maar ook in glas , alsmede winkelier was. De zoon Jellis Jacobz. VERBERNE (1705 - 1773) trouwde op Texel, woonde in de Hogerstraat op nr. 251, en werd in 1742 "winkelier en verwer" genoemd terwijl in 1750 zijn beroep wordt omschreven als "verwer van klederen" en in 1770 was hij ook opkoper van vellen en ploosters (=huiden met wol ). Bij zijn overlijden bedroeg zijn vermogen fl. 42.000.--, doch zijn winstgevende bedrijf werd niet voortgezet door de kinderen, die boeren , zeelieden, kapiteins en molenaar zijn geweest."
Blz. 11:
Jan Verberne
"Jan VERBERNE (1847 - 1935) was een zoon van de onderwijzer met een particuliere school Pieter Willemsz. Verberne. Als "Jan van Mesieu" werd hij op Texel bekend. Hij doorliep de Ieertijd in het manufacturenvak bij Bramlage in Den Helder en probeerde een zaak in Alkmaar op te zetten, maar na een half jaar gaf hij dat op. In Januari 1876 opende hij zijn zaak in de woonkamer van zijn ouders op de hoek van de Molenstraat en de Zwaanstraat. Nauwgezet, eerlijk en hardwerkend werd Jan genoemd. Hij ging veel op pad met zijn handel. Een bed werd met de kruiwagen weggebracht naar Den Hoorn, terwijl toch voerlieden naar dat dorp reden. In 1891 kocht Jan Verberne voor fl. 1800.-- het huis van zijn moeder en bouwde een moderne winkel en magazijn. Dat jaar trouwde hij met Anna Simons Zijm. De bruiloft werd in het vroegere schoollokaal gevierd. In het gezin werden twee kinderen geboren, Pieter (1893 - 1969) en Agatha (1895 - 1981), die beiden in de zaak gingen werken. In 1941 werd de zaak verplaatst naar een nieuw gebouwd pand op de hoek van de Vismarkt en de Binnenburg, terwijl Agatha de bovenwoning betrok en Piet, toen gehuwd, in de Molenstraat bleef wonen. In 1956 besloten zij de winkel te verhuren aan Zegel, die daar hun textielhuis vestigden, zodat na 80 jaren de vertrouwde naam Verberne opnieuw uit deze branche verdween."
De winkel van Verberne op de hoek van de Zwaanstraat en de Molenstraat. Tot 1881 had P.W. Verberne hier de Franse School.
Blz. 12:
"De aard van Verberne bracht mee, dat ze de uitgaven tot een minimum beperkten. Zo werden alle binnengekomen verpakkingen hergebruikt en de knopen uit de touwtjes losgemaakt. Daaraan moet nog worden toegevoegd: Gauw nijdig. Eerste geval: Een goed verhaal kon Piet Witte (Piet Snot) zeker vertellen. Die ging als jochie eens om een pet naar Verberne en kreeg door deze de eerste keurig aangereikt. Deze paste niet, de tweede was niet de goeie kleur en na de derde wierp Verberne hem de petten stuk voor stuk vanachter de toonbank toe. Tweede geval: Verberne had een goeie eigen plaats in de kerk doch voor hem zat een oude man, die Jan Bakker heette en altijd "Haspel-pen van puntdreed" werd genoemd. Die naam had Bakker te danken aan het om zijn lichaam draaien van een stuk prikkeldraad, dat hij van een tuunwal moest halen. Het had veel inspanning gekost die draad weer te verwijderen. Bakker had steeds moeite om gedurende bepaalde delen van de mis te knielen en telkens als hij bleef zitten duwde Jan Verberne hem met zijn kerkboek hardhandig naar voren. Bakker nam revanche door het kerkboek uit zijn handen te slaan en Verberne was ziedend."
Het voormalige Kasteel van Bern, Berne of Beern, gelegen aan de Maas in het huidige Gelderland nabij Zaltbommel, vormde in de vroege twaalfde eeuw het centrum van een adellijk domein. Hier resideerde Ridder Fulco van Berne, ook wel Folkold genoemd, samen met zijn echtgenote Bescela van Someren. Hun beider namen zijn in verschillende oorkonden uit de eerste helft van de twaalfde eeuw overgeleverd, waaronder een vermelding van Fulco als getuige bij een schenking aan de abdij van Sint-Truiden tussen 1108 en 1121. Dit duidt op zijn aanzien als lokale burchtheer met contacten in de hogere geestelijke kringen van het Maasgebied.
Rond 1132 moet zich een voorval hebben voorgedaan dat van groot belang was voor Fulco’s leven en voor de geschiedenis van Berne. Volgens de oudste overlevering, bewaard in de zogeheten stichtingskroniek van de latere abdij, raakte Fulco in levensgevaar. Hij werd, zo luidt het verhaal, door vijanden omsingeld en zag geen uitweg meer. In dat moment van nood zou hij een gelofte hebben afgelegd: als hij ongedeerd aan zijn belagers kon ontsnappen, zou hij zijn kasteel aan God wijden en er een klooster van maken. De kroniek vertelt hoe hij daarop met zijn paard in de Maas sprong en wonderbaarlijk de overkant bereikte.
Ridder Fulco Van Berne met rechts Kasteel van Berne
Hoewel de letterlijke waarheid van dit verhaal niet met zekerheid valt vast te stellen, sluit het goed aan bij de religieuze denkwereld van de twaalfde eeuw. De gedachte dat een adellijk persoon door een persoonlijke gelofte zijn leven aan God verbindt, was typerend voor een tijd waarin de adel steeds vaker religieuze instellingen stichtte ter wille van het eigen zielsheil. De stichting van een klooster bood gebed en eeuwige gedachtenis voor de stichters en hun familie, en versterkte tegelijk hun prestige in de regio.
Abdij van Berne
In 1134 schonken Fulco en zijn vrouw Bescela hun burcht met de bijbehorende gronden aan de orde der norbertijnen, ook bekend als premonstratenzers. Deze orde was pas enkele jaren eerder gesticht door Norbertus van Xanten en trok veel edellieden aan die sympathiseerden met haar hervormingsgezinde en apostolische levenswijze. Daarmee ontstond op het terrein van het kasteel de Abdij van Berne, een van de vroegste norbertijnenstichtingen in de noordelijke Nederlanden.
Over de achtergrond van Fulco’s bedreiging bestaan geen eenduidige historische verklaringen. De bronnen zwijgen over de identiteit van zijn vijanden en over de aard van het conflict. Sommige latere vertellingen suggereren dat hij als ridder mogelijk betrokken was bij militaire ondernemingen van zijn tijd, maar er is geen enkel bewijs dat hij aan een kruistocht heeft deelgenomen of dat zijn gevaar daaruit voortkwam. Waarschijnlijker is dat de dreiging waarmee hij werd geconfronteerd te maken had met de onstabiele politieke verhoudingen in het Maas- en Waalgebied, waar de invloedssferen van Gelre, Holland en het Sticht Utrecht elkaar raakten. Geweld tussen lokale heren was in deze grensstreek niet ongewoon, en het is aannemelijk dat Fulco slachtoffer werd van een dergelijk regionaal machtsconflict.
Bescela van Someren, Fulco’s echtgenote, speelde eveneens een wezenlijke rol in deze geschiedenis. Zij bracht mogelijk eigen goederen in het huwelijk en schonk deze mede aan de nieuwe abdij. Volgens de kroniek trad zij na de stichting zelf toe tot het religieuze leven, vermoedelijk als norbertines in het vrouwenklooster van Altforst, dat met Berne verbonden stond. Haar keuze illustreert de diepe religieuze overtuiging die aan de stichting ten grondslag lag. De echtelieden beschouwden hun schenking niet enkel als een vroom gebaar, maar als een daadwerkelijke overgave van hun leven aan de dienst van God.
Heerlijkheid Bern
We kunnen ervan uitgaan dat Fulco en zijn vrouw al enige tijd in hun kasteel woonden voordat zij het aan de kerk schonken in 1134. Dit betekent dat hij zijn landgoed (de Heerlijkheid Bern) enkele decennia eerder had verkregen en daar vervolgens zijn kasteel op liet bouwen. Het is dan ook aannemelijk dat de Heerlijkheid Bern eind elfde, begin twaalfde eeuw in zijn bezit is gekomen en sindsdien bestaat. Hieruit valt tevens te concluderen dat de naam Van Berne al sindsdien in gebruik is!
Het klooster dat op het kasteelterrein van Berne ontstond, groeide in de daaropvolgende eeuwen uit tot een invloedrijke abdij. Zij bleef tot ver in de zestiende eeuw op dezelfde plaats bestaan.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog, in 1579, werd het complex door oorlogsgeweld verwoest en verlieten de norbertijnen hun eeuwenoude verblijfplaats. Om te voorkomen dat de Spanjaarden kastelen in de Nederlanden in handen zouden krijgen zijn veel kastelen op grote schaal en door eigen toedoen vernietigd. Of dat voor de Abdij van Berne ook gold of dat het door Spanjaarden is vernietigd is niet bekend. Drie eeuwen later, 278 jaar, om precies te zijn werd in 1857 in Heeswijk, in Noord-Brabant, de nieuwe Abdij van Berne geopend, waar deze tot op de dag van vandaag nog bestaat.
De geschiedenis van het kasteel van Berne weerspiegelt zo de overgang van feodale macht naar geestelijke toewijding in de vroege middeleeuwen. Wat begon als de zetel van een regionale ridderfamilie werd door een persoonlijke gelofte en religieuze overtuiging omgevormd tot een klooster dat bijna vier en een halve eeuw het religieuze leven in de regio bepaalde. Fulco van Berne is in dat licht minder de krijgsman van kruistochten dan de voorbeeldfiguur van een ridder die, geconfronteerd met sterfelijkheid en dreiging, zijn wereldlijk bezit inruilde voor een erfenis van geloof, gebed en beschaving.
Abdey van Beern – Hendrik Verhees – 1794
Stichtingskroniek van de Abdij van Berne
Inhoud en achtergrond
De Stichtingskroniek van Berne is een korte Latijnse kroniek uit de twaalfde eeuw die de oorsprong van de abdij beschrijft. Ze werd waarschijnlijk enkele decennia na de stichting (rond 1150–1170) opgetekend, vermoedelijk door een norbertijn uit Berne zelf. De tekst behoort tot de vroegste voorbeelden van kloosterstichtingsverhalen in de Lage Landen. Het werk heeft de typische structuur van een fundatio-tekst: het schetst de vroomheid van de stichter, de aanleiding tot de gelofte, de schenking van de goederen en de komst van de eerste religieuzen.
Eerste bladzijde van het ms. van de kroniek, met de aanhef ‘Quomodo ecclesia Bernensis per domnum Folcoldum sit fundatum’. Perkament, 41 × 30 cm Archief Abdij van Berne
Stichtingsoorkonde van de Abdij van Berne, 1134 Andries van Cuyk, bisschop van Utrecht, bevestigt de schenking van heer Folkold van Berne en zijn vrouw Bescela aan de abt van Mariënweerd, namelijk van hun goederen te Berne en elders, tot stichting van een nieuw klooster. Perkament, 53 × 31 cm, met zegel van de bisschop. Archief Abdij van Berne
De kroniek opent met de beschrijving van ridder Fulco van Berne, een man van aanzien die een burcht bezat aan de Maas. Hij wordt geprezen als “een vrij en godvrezend man” (vir liber et divus). Op een dag wordt hij door vijanden bedreigd en in het nauw gedreven. De kroniek vertelt hoe hij, “toen hij van alle kanten omsingeld was, zijn hoop op God stelde en tot Hem riep om redding.”
Een kerncitaat luidt in vertaling:
"Toen hij zag dat hij niet meer kon ontkomen, beloofde hij in zijn hart dat, indien hij met Gods hulp behouden zou blijven, hij zijn huis aan de Heer zou toewijden en het tot een klooster zou maken.”
Volgens het verhaal sprong Fulco te paard in de rivier de Maas, waar hij “tegen de stroom in” overzwom en veilig de overkant bereikte. Zijn ontkoming werd als een goddelijk wonder beschouwd en bevestigde hem in zijn gelofte.
De stichting van het klooster
Nadat Fulco zijn belofte vervulde, schonk hij zijn burcht en de omliggende landerijen aan God. Zijn vrouw, Bescela van Someren, stemde daarmee in. De kroniek vermeldt haar nadrukkelijk als mede-stichteres:
"Zijn echtgenote, een vrouw van heilig leven, verenigde zich met hem in dit voornemen.”
Zij zouden daarop contact hebben gezocht met de orde van de norbertijnen, die kort daarvoor door de heilige Norbertus was gesticht. Fulco verzocht de orde om enkele kanunniken naar Berne te sturen om het nieuwe klooster te bevolken. De eerste norbertijnen kwamen volgens de kroniek vanuit de abdij van Mariënweerd (bij Beesd), destijds een belangrijk centrum van de orde in de Nederlanden.
De tekst verhaalt verder dat Fulco na de stichting een eenvoudig leven leidde in de nabijheid van de kloosterlingen en zijn laatste jaren in gebed doorbracht. Over Bescela zegt de kroniek dat zij “in kuisheid en godsvrucht” verder leefde en mogelijk later intrad bij de norbertinessen van Altforst, die met Berne verbonden waren.
Een opvallend citaat luidt:
"En zo schonk hij niet slechts zijn bezit, maar ook zichzelf aan de dienst van Christus, opdat zijn huis voortaan niet meer een vesting van de wereld, maar een woning van vrede zou zijn.”
De kroniek besluit met een korte zegenformule en de vermelding dat “dit alles gebeurde in het jaar van de Heer 1134”. Daarmee is de stichting van Berne een van de vroegste norbertijnenabdijen in de Lage Landen geworden. Het werk dient niet alleen als historisch verslag, maar vooral als spiritueel voorbeeld: het benadrukt bekering, dankbaarheid en de overgang van wereldlijke macht naar geestelijke toewijding.
Historische beoordeling
Latere onderzoekers wijzen erop dat de Stichtingskroniek deels legendarische elementen bevat. Er is geen extern bewijs voor de vijandige aanval of de wonderbare oversteek van de Maas, maar het verhaal weerspiegelt een bekend middeleeuws motief: de ridder die door een levensgevaarlijke ervaring tot inkeer komt en zijn rijkdom aan God wijdt. Het geeft daarmee een religieuze legitimatie aan de stichting van het klooster, zoals veel adellijke stichters uit die tijd dat deden.
De bovenstaande afbeelding en de eerder op deze pagina getoonde foto laten zien dat de afstand tussen Kasteel Hemert (tegenwoordig: Nederhemert) en Kasteel/Abdij van Bern slechts een kilometer was. Het kan dan ook haast niet anders dan dat het in de feodale tijd tot spanningen kwam tussen de Heren Hendrik van Hemert en Fulco van Berne wegens conflicterende belangen.
Afkomst
Over de afkomst van Fulco van Berne is weinig met zekerheid bekend. Vermoed wordt dat hij afkomstig was uit de regio Lierop, Asten en Someren, ten oosten van Eindhoven en grenzend aan de Peel. De familienamen Van Berne en Verberne komen namelijk oorspronkelijk uit dit gebied. Ook zijn echtgenote Bescela van Someren lijkt uit dezelfde streek te stammen, al ontbreekt daarvoor sluitend historisch bewijs.
Blaeu detail uit novus 17 provincien – 1652
In hoeverre Fulco verwant was aan de familie Verberne uit de Peel is onduidelijk, al lijkt een gemeenschappelijke oorsprong erg waarschijnlijk. Verbastering van namen was niet ongewoon en varianten als Van Berne, Verberne of Verbernen kwamen geregeld voor binnen dezelfde families. Niet iedereen kon lezen en schrijven en het was meestal de schout/schepen of schrijver/ambtenaar die de schrijfwijze van de naam noteerde waarmee de betreffende persoon en diens nazaten de geschiedenis in gingen. Het is niet bekend of Fulco en Bescela enig nageslacht hebben nagelaten, wat mogelijk een rol gespeeld kan hebben in hun religieuze toewijding.
Fulco stamde vermoedelijk uit een lagere adellijke familie of ministerialiteit in de Peelregio, wellicht verbonden aan de lokale heren van Asten of Lierop. Door zijn huwelijk met Bescela van Someren verwierf hij vermoedelijk extra bezit. Mogelijk door een bewezen dienst aan een van zijn heren (superieuren) heeft hij vervolgens het stuk land (heerlijkheid) verkregen, een strategisch gelegen domein aan de Maas, vernoemd naar zijn naam Berne en afkomst uit de Peel. Daar vestigde hij zich als heer, liet een versterkte woning bouwen (het kasteel van Berne) en werd in de bronnen aangeduid als dominus de Berne (“Heer van Berne”).
Parenteel Fulco van Berne
De naam Van Berne verwijst dus niet naar een oud adellijk geslacht, maar eerder naar een toponymische (geografische) titel die Fulco aannam nadat hij zich aan de Maas had gevestigd. Hij was een ridder van adel en heer van Berne, met bezittingen in de heerlijkheid Bern(e), waaraan hij zijn naam had verbonden.
Overigens is de vermelding van Fulco van Berne met de stichting van de Abdij in 1134, de oudst bekende vermelding met deze naam. De officiële registraties in civiele registers met achternamen als Van Berne/Verberne ontstonden pas zes/zeven eeuwen later en formeel pas in 1811, na de Franse tijd, hoewel achternamen al eeuwen in gebruik waren. In oudere doopregisters kwamen achternamen al eerder voor.
Een heerlijkheid was in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd een privaat bestuurd gebied met pachters en horigen binnen een groter rijk (bijv. het hertogdom Brabant of het graafschap Holland). Het was geen zelfstandige staat, maar een soort mini-rechtsgebied waarin een lokale heer (of vrouwe) bepaalde bevoegdheden uitoefende.
De Heerlijkheid Berne, gelegen aan de Maas bij het huidige Heeswijk (Noord-Brabant), vormde in de 11e en 12e eeuw deel van het Graafschap Maasland, en kwam later onder invloed van de heren van Kleef en het Hertogdom Gelre.
Heraldiek
Het was niet ongewoon dat Heerlijkheden geregeld de krachten bundelden onder gezamenlijke vlag. Er is echter geen wapen bekend dat uit de Middeleeuwen stamt. Het getoonde wapen is een relatief recent ontwerp, ingevoerd bij Koninklijk besluit op 16 juli 1817 en afgeleid van het wapen van de familie Rietveld, waarvan er een ooit burgemeester was van Herpt en Sprang.
Locatie: Bernsestraat 9, Heusden, Noord-Brabant Foto: John Scholte
Wapen gemeente Herpt en Berne. Het wapen is officieel verleend op 28 september 1819
De familie van Berne was een ministeriaal geslacht: dat wil zeggen, edelen in dienst van een hogere heer (waarschijnlijk de graaf van Kleef of een plaatselijke leenheer van het bisdom Utrecht). Zulke families waren in oorsprong hofambtenaren of bewapende dienstmannen, die gaandeweg een ridderschapsstatus verwierven.
Fulco’s bezit van een burcht aan de Maas (het latere Kasteel van Berne) toont dat hij niet zomaar een lage vazal was, maar een regionale heer met eigen grond en horigen — precies het profiel van iemand die tot ridder geslagen kon worden.
In Fulco’s tijd (eerste helft 12e eeuw) was ridder worden geen erfelijke titel, maar een standshandeling binnen de adel. Jongemannen uit adellijke families doorliepen een vast patroon:
Page-tijd: op jonge leeftijd (rond 7 jaar) werd de jongen naar het hof van een hogere edelman gestuurd om daar etiquette, omgangsvormen, jacht en paardrijden te leren.
Knecht- of schildknaap-tijd: vanaf ca. 14 jaar diende hij een ridder, leerde wapengebruik, discipline en de krijgskunst.
Ridderslag (adoubement): meestal tussen 18 en 25 jaar werd hij, na bewezen moed of trouw, tot ridder geslagen. Dat gebeurde in een religieuze ceremonie met een eed op eer, geloof en trouw.
Het is aannemelijk dat Fulco deze weg doorliep aan het hof van zijn leenheer — mogelijk de graaf van Kleef of diens vazal in de regio Oss–Grave.
De meeste middeleeuwse ridders werden geslagen na een wapenfeit of bij een belangrijke gebeurtenis, bijvoorbeeld:
deelname aan een veldtocht of kruistocht,
bescherming van een gebied tegen invallen,
of als erkenning van adellijke status bij erfenis van een heerlijkheid.
In Fulco’s geval ligt het laatste scenario het meest voor de hand. Hij was heer van Berne en waarschijnlijk rond 1120–1130 actief als gewapende landheer. Sommige latere bronnen (zoals de Stichtingskroniek van Berne) suggereren dat hij aan een kruistocht deelnam, al is dat niet rechtstreeks bewezen. Mocht hij inderdaad een expeditie naar het Heilige Land of een “kruistochtgelofte” hebben afgelegd, dan zou de ridderslag ook in dat kader kunnen hebben plaatsgevonden — een gebruik dat in de tijd van de Eerste Kruistocht (1096–1099) en daarna steeds vaker voorkwam.
Het ridder-zijn was voor Fulco niet enkel een militaire status, maar ook een morele en religieuze rol. In de Stichtingskroniek wordt hij beschreven als vir liber et divus — een “vrij en godvrezend man”. Zijn latere gelofte om zijn kasteel aan God te schenken past bij het ideaal van de christelijke ridder:
De krijgsman die zijn zwaard uiteindelijk neerlegt om Christus te dienen.”
Dit was een bekend motief in zijn tijd. Ridders zoals Fulco die zich bekeerden tot een religieus leven of hun goederen schonken aan kloosterorden, werden als voorbeeldig beschouwd — ze verbonden de wereldlijke ridderdeugd met christelijke overgave.
Ridder Fulco van Berne werd waarschijnlijk tot ridder geslagen tussen ca. 1115 en 1130 als lid van een regionale ministeriale adelsfamilie in dienst van de graaf van Kleef of Gelre, mogelijk na bewezen krijgsdienst of als erkenning van zijn erfelijke heerlijkheid.
Zijn ridderschap vormde de basis van zijn aanzien, maar ook van zijn religieuze bekering: na een levensbedreigende gebeurtenis — volgens de kroniek een aanval door vijanden — legde hij een gelofte af die leidde tot de stichting van de Abdij van Berne in 1134.
Het beeld over de oorsprong van de naam Verberne lijkt te zijn achterhaald. In de twee op deze website gepubliceerde bronnen uit 1973: “De eigennaam “Verberne” en het boek Texelse Geslachten II, wordt al decennia lang de oorsprong gezocht in het gehucht Bern nabij Heusden ten westen van ‘s-Hertogenbosch en/of de daarbij behorende Abdij van Berne.
Echter, geen van beide bronnen verklaart wat het verband of oorzaak is tussen de naam en de grote geografische afstand tussen het gehucht Bern en de concentratie van Verbernes en Van Bernes in de Peel. Dit zette mij aan het denken. Het valt namelijk niet met elkaar te rijmen.
Hoewel er wel degelijk een relatie bestaat tussen het gehucht Bern en de naam, betwijfel ik al jaren dat dit de werkelijke lokatie van de oorsprong is. Het bovenstaande beeld klopt namelijk niet met de feiten. De archieven tonen aan dat de meeste Verberne’s/Van Berne’s uit de 16e, 17e en 18e eeuw woonachtig waren in de regio Lierop, Asten, Someren, Stiphout, Helmond, Heeze in De Peel, 70 kilometerzuid-oostelijk gelegen. Er zijn veel archiefstukken bewaard gebleven die dit bevestigen zoals doopregisters, rouw- en trouwboeken en notariële stukken.
Het lijkt weinig aannemelijk dat de complete familie (de stamfamilie van de Van Berne’s, Verberne’s, etc.) zich over een afstand van circa 70 kilometer van Bern naar de Peel zou zijn gemigreerd om daar pas zo’n 500-600 jaar later in de Napoleontische periode, bij de verplichte invoering van achternamen, in de burgerlijke en kerkelijke registers op te duiken. Er zullen ongetwijfeld familieleden betrokken zijn geweest bij de drooglegging van de moerassen in de Peel, maar complete families (van jong tot oud) is niet erg waarschijnlijk. Evenmin is het waarschijnlijk om te veronderstellen dat, wanneer de oorsprong daadwerkelijk in het gehucht Bern zou liggen, daar vrijwelgeen geboortes of overlijdens zouden zijn vastgelegd, terwijl dergelijke registraties wèl 70 kilometer zuidoostelijk plaatsvonden.
Frappant is dat er een veel oudere bron uit de twaalfde eeuw is over ridderFulco van Berne die het veel waarschijnlijker maakt dat de oorsprong in de Peel ligt èn het geografische verschil verklaart. Nieuwe inzichten laten zien dat de relatie tussen het gehucht en de naam anders is dan eerder verondersteld.
Verbastering van namen
Verbastering van namen was niet ongewoon en varianten als Van Berne, Van Bern, Van Barne, Van Benne, Van Bernen, Verberen, Ver Bern, Verberne of Verbernen, kwamen geregeld voor binnen dezelfde families. Niet iedereen kon lezen en schrijven en het was meestal de schout/schepen of schrijver/ambtenaar die de schrijfwijze van de naam bepaalde waarmee de betreffende persoon en diens nazaten de geschiedenis in gingen. Tot op de dag van vandaag levert de naam spraakverwarring op. Dus een verbastering is niet onlogisch en al snel gemaakt.
Het is dan ook redelijk veilig om te veronderstellen dat de namen Van Berne, Verberne, Verbernen, etc. een gezamenlijke oorsprong hebben en slechts varianten zijn van een en dezelfde naam. De vraag blijft, welke variant is het origineel en dus het oudst? We zullen het waarschijnlijk nooit weten. Feit is wel dat de verwijzing/naam Van Bernebegin twaalfde eeuw al in gebruik was en wellicht zelfs eerder.
Naamsverbastering binnen gezinnen
Orakel
Ik heb mijn theorie over de afkomst getoetst en de vraag aan AI-orakel ChatGPT voorgelegd. Daar kwam wat mij betreft een veel plausibeler antwoord uit dan de beide hiervoor genoemde bronnen:
De kans dat de achternaam Verberne zijn oorsprong heeft in de streek Lierop – Asten – Someren, ten oosten van Eindhoven, is volgens taalkundig en genealogisch onderzoek een stuk groter dan dat hij uit Heusden (bij ’s-Hertogenbosch/Den Bosch) komt.
Hier zijn de belangrijkste aanwijzingen:
1️⃣ Verspreiding volgens familienamen-onderzoek
In de Nederlandse Familienamenbank van het Meertens Instituut (telling 2007), tegenwoordig vallend onder het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag, liggen de meeste vermeldingen van Verberne in Zuidoost-Brabant: Asten, Someren, Lierop, Deurne en Helmond.
In de streek rond Heusden (westelijk Noord-Brabant / Gelderland) komen nauwelijks dragers voor.
→ Dat suggereert een oorsprong in het oosten van Brabant, niet bij Heusden-vesting.
2️⃣ Vorm en betekenis
Verberne lijkt een zogeheten toponymische naam: afgeleid van een plek of veldnaam.
Het element berne hangt samen met Middelnederlands borne/berne (“bron, beek”).
“Ver-” kan verwijzen naar voor, vanaf, van der. → “(iemand) van/uit de bron(nen)”.
Zulke veld- of waternamen komen juist veel voor in het Peelland-gebied rond Lierop/Asten.
3️⃣ Historische bronnen
In 17e- en 18e-eeuwse doop- en trouwregisters van Asten, Someren, Lierop duikt de naam geregeld op.
In de registers van Heusden en de Langstraat is de naam in die periode vrijwel afwezig.
4️⃣ Migratiepatroon
Veel families uit Asten/Someren/Lierop trokken in de 19e–20e eeuw westwaarts (o.a. naar Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch). Daardoor vind je tegenwoordig ook Verberne’s buiten het oorspronkelijke kerngebied.
Conclusie
Op basis van verspreidingskaarten, etymologie en oude bronnen is het hoogst waarschijnlijk dat de naam Verberne is ontstaan in het Peelland-gebied rond Lierop, Asten en Someren, en niet in de omgeving van Heusden bij Den Bosch.
Ontdekking
Interessant is de “vondst” van het bestaan van Ridder Fulco van Berne. Wat hieraan bijzonder intrigeert, is het gegeven dat de meeste mensen in de Middeleeuwen geen vaste achternaam droegen, maar zich doorgaans identificeerden met een patroniem (zoon of dochter van …), een verwijzing naar hun herkomstregio of hun beroep. Uit de registratie van de oprichting van de Abdij van Berne in de twaalfde eeuw en de abdij de naam kreeg van de oprichter, valt af te leiden dat de naam Van Berne (en misschien zelfs Verberne) als toponymische (geografische) naam al in de vroege Middeleeuwen in gebruik was.
Dit concrete bewijs van het bestaan van de naam rond het jaar 1100, 500-600 jaar eerder dan de kerkelijke en burgerlijke registraties, is naar mijn idee een erg bijzondere constatering.
Heerlijkheid Bern
Het gehucht Bern en de door hem in 1134 gestichte abdij danken hun naam aan het feit dat Ridder Fulco van Berne een landgoed (heerlijkheid) ontving, mogelijk in combinatie met zijn ridderslag of als dank voor zijn bewezen diensten, en daar vervolgens zijn naam aan verbond, de heerlijkheid Bern/Berne, waarvan Fulco de Heer werd.
Zo komt het dat het huidige gehucht Bern 70 kilometer noordwestelijk ligt ten opzichte van de bakermat van de naam Van Berne/Verberne.
Berne, gezicht vanaf Kasteel Nederhemert
Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat hij en zijn vrouw Bescela van Someren beiden afkomstig waren uit de Peel (regio Lierop, Asten, Someren). Deze waarschijnlijkheid wordt versterkt door Bescela’s achternaam en dat de namen Van Berne/Verberne veelvuldig voorkomen in de latere archieven uit deze regio. En vrijwel volledig afwezig zijn in de regio Heusden.
Fulco van Berne leefde van ±1100 – 1149. In 1134 stichtte hij de Abdij van Berne en stelde zijn kasteel hiervoor ter beschikking. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat hij tot ridder werd geslagen tussen zijn twintigste en dertigste levensjaar en de heerlijkheid in zijn bezit kwam. Het is niet waarschijnlijk dat het landgoed voorafgaand aan zijn ridderslag al in zijn bezit was en dat het al de naam Bern droeg.
Hierdoor kan gesteld worden dat het gehucht Bern stamt uit ±1120/1130 en voortkomt uit de Heerlijkheid Berne onder het bewind van de Heer van Berne: Ridder Fulco van Berne.
Een Heer had pachters en horigen op zijn landgoed die het land bewerkten en bijdroegen aan de instandhouding van de heerlijkheid.
Jan Pietersz Verberne was born in Den Burg in 1739 and baptized on March 16 of that year. His grandparents came from Peel in North Brabant around 1700. Grandfather was a peddler, cloth merchant and shopkeeper. He died around 1714 at the age of fifty, a wealthy man. He must have left more than 40,000 guilders to his wife and six young children. The widow moved to Amersfoort with three children. Three sons remained on Texel. Jan (1694-1767) became a farmer and lived in Weverstraat (at no. 80 as shown in the censuses of 1742 and 1750); Jelis (1705-1773) became a “dyer of clothes” as was mentioned in 1750. (So probably not a house painter as van der Vlis mentioned in ‘t Lant van Texel). Uncle Jelis was also a shopkeeper and lived in the Hogerstraat no. 251. Father Pieter (1708-1751) was called a dyer. He lived and worked in the Gasthuisstraat with house number 240, later 241, while his barn was number 231. Father Pieter married Pietertje Pieters Deij in 1731, who died in 1735 at the age of 26, leaving behind a daughter, who also died young. In 1736 he remarried Antje Simons Ran, the second daughter of a barge skipper son from this marriage. When Jan was twelve years old his father died and when he turned fourteen his mother also had two guardians, his uncle Jelis and one older cousin Dirk Cornelisz Zijm (1715-1769). Like his older ones Jan’s brother Jacob then became a sailor. Jacob, who eventually became captain of the ship Catharina, remained at sea between 1790 and 1795.
De term Kneppelbuurt (ook wel: Knippelbuurt) is een oude benaming voor wat tegenwoordig bekendstaat als de Schoolstraat, vlak voor de kerk in Den Burg. Dit blijkt uit een reisverslag waarin staat: “De Schoolstraat werd vroeger de Kneppelbuurt genoemd omdat daar, in de tijd van de kermis, het koekknuppelen plaatsvond.” Source: JTravel
Dat betekent dat de oude Kneppelbuurt gelijkstaat aan de Schoolstraat, gelegen direct vóór de (voormalige) school en kerk in het centrum van Den Burg.
Jan Pietersz also became captain. He sailed as owner on the frigate ship “Het Fortuyn”, which was built in 1772. It was 86 feet long, 26½ feet wide and on board were six guns placed. In 1789 probably the last trip of Jan Pietersz. He made another trip to the Mediterranean (destinations Naples and Venice). He was 50 years old and had his son Pieter (1769-1858) as helmsman, the boatswain was Jacob Smit, Pieter Ottens sailed as a carpenter and the sailors were Gerrit Dijker and Simon Graaf. His nickname is reminiscent of noise, noise, arguments and trouble, while making waves sounds the most innocent. Jan Trammelant has had many difficulties in his 75 year life. He did not avoid it and his material prosperity did not suffer as a result.
Being a captain in foreign ports and driving a ship in the French period was far from easy. At the age of 25 he married (24-7-1764, tax 12,-) a 17-year-old girl Martje Burger (1747) and the family went to live in Oudeschild, where they bought a house in 1773 for 760 guilders. Four children were born in his family 1789 the successor as captain of the frigate, which was probably sold in 1795 due to malaise in the seafaring industry. Pieter then went to live in Amsterdam.
Second son Cornelis (1770-1827) was a Jack of all trades as well. He later became a wholesaler of spirits and wines, but was also a farmer. Third son was Willem (1773-1827) and he was versatile. Sailor, barge skipper, trader in coffee, tea, tobacco and groceries, but also tapper. In 1831 he became a teacher at Oost, where he also gave nautical lessons. He bore the nickname “Willem Limoen”. He probably owed this to getting lemons from the Levant or Greece. He passed on his education to his son Pieter (1807-1881), who ran the best private school in Texel had, first in the Weverstraat and later in the Zwaanstraat, which was called the Franse Pad in 1853, because French was his strongest side. It is therefore not surprising that he was called Meseu. In 1775 the youngest son Simon was born. In 1790, Jan Trammelant bought from his brother-in-law Jan Cornelis Burger, who had reached financial ruin, a new octagonal flour and peeling mill with yard, a few peeling stones and a few flour stones, west of Den Burg for 4,500 guilders. . The mill was located at the Beatrixlaan corner of Keesomlaan and was named Zeemanslust. (Demolished after 1907, when a great-grandson sold land, buildings and yard of 11. are 50 c. a for 790 guilders). In the meantime he had bought a house and a barn from his brother in the Gasthuistraat, probably the house where he was born. The family moved from Oudeschild to Den Burg and it was not until 1793 that the house in Oudeschild was sold.
In 1791 Martje Cornelis Burger passed away when she was 34 years old. She’s probably buried in the grave purchased that year in the Dutch Reformed Church in Den Burg, number 108. On January 20, 1792, he remarried out of community of property with Martje Jans Smit, 39 years old, already twice widowed, but she had no children. Jan Trammelant had also gradually become a large landowner because between 1773 and 1802 he bought more than 108 hectares of land with at least two farms. To this he also owed his position as Head Inland of the 28 combined polders. He remained on the polder board until 1812 and then resigned at the age of 37. The turbulent times of the Princes and
Patriots were experienced and experienced by him and his sons from a distance. The only position Jan accepted was that of an elected member of a committee tasked with drawing up lists of officials who had been guilty of plunder, oppression or other crimes. That had to be sorted out in 1795. From this it can be seen that he and his sons were cautious patriots.
In 1793 the family was involved in a street riot on Sinterklaas evening, where the fancy dress party was still held on December 5, but this was prohibited at the time. Son Simon had disguised himself in a sheepskin (or something else of equal roughness), a high hat on his head and a stick in his hand when he was arrested by a bailiff in the Hogerstraat (but not recognised). When the second police officer and a large crowd had arrived, a fight ensued during which son Cornelis kicked one of the officers so hard in the shin that blood ran. The officers fled and disappeared into the house of one of the two, Adam Kalf in the Hogerstraat. A little later father Jan Pietersz and son Cornelis entered that house to ask why the officers had hit Cornelis. After the bailiff showed his injured leg, the Verbernes disappeared without further comment. On January 16, 1794, Cornelis was interrogated and the sheriff demanded imprisonment, but this was rejected by the aldermen. On June 26, 1794 the case came up again and the sheriff demanded 25 years of banishment from the island of Texel for providing assistance to a disguised person who was able to escape.
The aldermen’s verdict was €25, a fine, against which Cornelis appealed and the further course of action is unknown. In 1800 Cornelis stood before the court again, but now as a witness and victim of Gerrit Simonsz Boon van Den Hoorn. Boon had drunkenly entered the Warmoesstraat house, now number 2. Cornelis, who was now married, had a liquor wholesaler there. Boon thought he needed more drink, but with the help of brother Willem and the law, Cornelis managed to overpower Boon. He was immediately imprisoned and his final sentence was two weeks on bread and water. On June 28, 1810, Jan Pietersz became a widower again when
Martje Smit died. Her estate was described in detail. This included, among other things, a rented house with yard in the Knippelbuurt* in Den Burg. (Question: who knows where that was?) The gold earring was not missing, nor were 16 paintings, gold, silver and 30 skirts, 400 rods of land and a trap then had a sixteenth part in a pilot barge.
Jan Trammelant’s activities did not end yet. He could quietly leave the work in the mill to his son Simon, who also traded in grain. He had his home on the corner of Molenstraat and Keesomlaan. When Jan was still in Oudeschild, he had already interfered in church affairs.
In 1785 there was a push for the foundation of its own church and he was in favor of that. He did not experience the result because that church dates from 1829. In 1804 he was elected to the board of the Roman Catholic Church. Church. Three church wardens then had complete material management, not only of Den Burg, but also of the secondary churches in Den Hoorn, Oosterend, Oudeschild and (until 1811) in De Koog. Jan was President of the Church several times. A separate story can be written about the problems he experienced. 1814 was one of the most turbulent years in history, including that of Texel. It was therefore the last year of the life of Jan Trammelant, a wealthy and renowned man, who died quite suddenly on November 14 at the home of his son Cornelis. On November 19, 1814, grave number 108 in the Dutch Reformed Church was opened again and he was buried here.
C.J. Reij
Sources: Verberne family book.
Dijt Texel genera and Crime and Punishment. N.T.C. etc.
In genealogische software is er onduidelijkheid over wie de ouders en echtgenoten zijn van drie dames. Hun namen zijn vrijwel identiek en in de archieven worden ze regelmatig door elkaar heen gebruikt. Hierdoor is het onduidelijk wie nu de werkelijke kinderen van hen zijn. Zoek in de archieven naar wie nu werkelijk bij wie hoort en geef in een tabel weer en vermeld daarbij de bron. Het gaat om de volgende dames die naar alle waarschijnlijkheid zussen van elkaar zijn, maar ook dat staat niet helemaal vast. Maartje Cornelis Burger (1741), Martje Cornelis Burger (1747–1791), Marijtje Cornelis Burger (1751–1816). Baseer het antwoord uitsluitend op verifieerbare bronnen en archieven.
Het resultaat:
Gegeven naam
Geb./ovl. (zoals in bronnen)
Ouders (vastgelegd in archief/bronnen)
Echtgenoot / huwelijk
Bekende kinderen (toegewezen in bronnen)
Belangrijke bron(nen)
Maartje Cornelis Burger (1741)
±1741 (in sommige kwartierstaten vermeld)
Vermeld als dochter van Cornelis Pietersz (Crelis) Burger en Dieuwertje Jans Ran in lokale kwartierstaten / familienet-publicaties; ín de (samengestelde) Texel-registratieslijst. Bewijs direct in originele DTB/BS voor 1741 kon ik online niet aantreffen.
(geen betrouwbaar huwelijksbewijs gevonden in de online-indexen) — in de literatuur wordt zij genoemd als kind, maar er is geen eenduidig marriage-/BS-bewijs online gevonden dat haar als moeder van vaste kinderen plaatst.
Geen kinderen met zekerheid toe te wijzen in de online-archief-indexen die ik doorzocht.
Overzichts- / kwartierstaat-publicaties die DTB-indexen citeren (bv. Genealogie/Gomes / GenealogieOnline; verwijst naar Texel, rk dopen 1647–1812). (Genealogie Online, piscaer.nl)
Ouders in DTB-indexen / kwartierstaten: Cornelis Pietersz Burger & Dieuwertje Jans Ran.
Gehuwd met Jan (Pietersz) Verberne; ondertrouw 24-04-1764, huwelijk 24-07-1764 (Texel) — in lokale bronnentranscripties teruggevonden.
Bekend kind: Cornelis (Jansz) Verberne (gedoopt 13-05-1771 Texel) — dit kind wordt in bronnen expliciet als zoon van Jan Verberne en Martje (Cornelis) Burger genoemd.
Doop- / huwelijks- en persoonsindexen / kwartierstaten (pagina’s/overzichten in GenealogieOnline / Texelse geslachten; doop- en huwelijksvermeldingen in Texel-indexen). (Genealogie Online)
Cornelis Pietersz Burger & Dieuwertje Jans Ran — dit staat wél expliciet in de overlijdensopgave / BS-inschrijving (Noord-Hollands Archief / OpenArchieven registratie van overlijdensakte).
Gehuwd met Albert / Alberts Lourensz Veeger (trouwgegevens en ondertrouw in lokale transcripties; huwelijk circa 1771).
Overlijdensakte / burgerlijke inschrijving (Noord-Hollands Archief — via OpenArchieven) vermeldt ouders; aanvullend: lokale transcripties / Texelse Geslachten met huwelijk en kinderen. (openarchieven.nl, Genealogie Online)
Korte toelichting op de bronnen en bewijssterkte
Sterk bewijs: voor Marijtje (1751–1816) is er een civil registration / overlijdensvermelding (Noord-Hollands Archief / OpenArchieven) die als primaire bron expliciet vader en moeder noemt (Cornelis Burger en Dieuwertje Ran). Dat is een directe, verifieerbare archiefvermelding en geeft hoge zekerheid over haar ouders. openarchieven.nl
Redelijke/consistente bewijzen: voor Martje (1747–1791) bestaan in de online indexen en lokale genealogische publicaties duidelijke doop- en huwelijkvermeldingen (Texel DTB-index / Texelse Geslachten / transcripties) en de doop van een zoon Cornelis Verberne (1771) wordt expliciet als zoon van Jan Verberne en Martje (Cornelis Burger) genoemd. Deze gegevens komen consequent terug in meerdere (lokale) kwartierstaat-bronnen en indexen. Genealogie Online+1
Zwakker onderbouwd / onduidelijk: de vermelding van Maartje (geb. 1741) als zus in verschillende kwartierstaat-overzichten komt terug in compilaties (GenealogieOnline / Texelse compilaties). Ik kon echter geen eenduidige, direct geopenbaarde DTB-scan of burgerlijke bron online vinden die exact haar doop- of huwelijksakte toont (ten minste niet in de indexresultaten die publiek online staan). Daarom moet haar toewijzing aan de kinderen / huwelijken — in tegenstelling tot de twee andere zusters — als minder controleerbaar worden beschouwd totdat de originele DTB-scan (Texel, rk dopen 1647–1812 — Noord-Hollands Archief) is gecontroleerd. Genealogie Onlinepiscaer.nl
Extra ondersteunend materiaal
Diverse notariële akten en RAA-items rond familie Verberne (bv. notariële akte Jacob A. Verberne 28-04-1764) die de lokale familieverbanden bevestigen en helpen het netwerk rond Verberne te controleren (Regionaal Archief Alkmaar / OpenArchieven). Deze zijn nuttig als aanvullende bewijzen bij het controleren van huwelijken en erfenissen. openarchieven.nl
Conclusie
Op basis van de beschikbare online archiefindexen en transcripties lijkt het meest aannemelijk dat alle drie (zover als gedocumenteerd) worden vermeld als kinderen van Cornelis Pietersz Burger en Dieuwertje Jans Ran in de Texel-bronnen; voor Marijtje (1751) is dat met name sterk gedocumenteerd (overlijdensopgave). openarchieven.nlGenealogie Online
Martje (1747) is betrouwbaar gekoppeld aan Jan Verberne en hun zoon Cornelis (1771) in de bronnen. Genealogie Online
Maartje (1741) wordt in meerdere kwartierstaten genoemd als zus, maar ik kon geen primaire scan / akte vinden in de online indexen die onomstotelijk haar individuele doop/huwelijk bevestigt — daarom blijft deze naam minder zeker totdat de originele DTB-scan in het Noord-Hollands Archief (Texel doopboek) is gecontroleerd. Genealogie Onlinepiscaer.nl
NB. De gevonden resultaten van ChatGPT zijn niet 100% feilloos, maar geven een goede indicatie en moeten geverifieerd worden.
Niet alles wat terug te vinden in genealogie is correct. In principe zou alles eerst geverifieerd moeten worden alvorens het wordt toegevoegd. De juistheid van de gegevens van de kinderen van de stamvader Govert Verberne uit 1547 is slechts voor 25% aangetoond. Het is daarom belangrijk dat bronnen worden geraadpleegd en bronvermelding en afbeeldingen ervan worden toegevoegd.
Wat (mogelijk) klopt
De patroniemen “Govert(z)” zijn logisch → duiden op een vader Govert/Godefridus.
Tijdsperiode (1588–1595) past: Govert geb. ca. 1547 zou rond 1580–1600 volwassen kinderen kunnen krijgen.
Namen Johannes, Michiel, Hubertus, Judocus komen wél terug in de Helmond/Lierop regio in de 17e eeuw. Dus de voornamen zijn niet willekeurig gekozen.
Wat (nog) niet bewezen is
Er zijn geen doopboeken uit 1588–1595 voor Lierop/Helmond → de vermelde geboortedata zijn aannames, niet uit registers.
Directe koppeling: in de schepenbankakten wordt bijvoorbeeld een Joannes Goorts genoemd, maar nergens staat letterlijk: “zoon van Govert Verberne geb. 1547”.
De jaartallen (1588, 1590, 1595) lijken afgerond of verzonnen om het gezin compleet te maken. Zulke “ronde jaartallen” zie je vaak in FamilySearch maar komen niet uit primaire bronnen.
Er is geen bewijs dat Michiel Govertz (1588–1667) echt zo lang leefde of dat deze precieze overlijdensdatum correct is. Zulke details ontbreken in de Helmondse registers van vóór 1650.
Wat waarschijnlijk niet klopt
Dat alle vier deze zonen exact zo en met deze data vaststaan is onjuist.
Alleen Joannes Goorts Verberne is met zekerheid traceerbaar in schepenbankstukken. De anderen (Michiel, Hubertus, Judocus) zouden broers kunnen zijn, maar harde akten ontbreken nog.
Bij wijze van experiment heb ik ChatGPT gebruikt om een missing link, tussen twee op zichzelf staande takken van de Verberne stamboom, te vinden waar ik al decennia tegenaan liep. Niet helemaal 100% feilloos, maar na verificatie en correctie is het nu compleet. Heel blij mee. 💪😁
RHCe toegang 10225 (DTB Lierop, inv.nr. 64.1 e.v., doopboeken vanaf 1664) + Schepenbank Lierop (zelfde toegang, akten 1670–1700 waar Jacob Jansz voorkomt)
4
Willem Jacobs Verberne
actief ca. 1690–1710, zoon van Jacob Jansz
Schepenbank Lierop/Stiphout, transport- en erfakten (RHCe/BHIC, toegang 7329/7380, indices op naam beschikbaar; Willem Jacobs wordt daarin als partij genoemd)
5
Andreas Jan Willems Verberne (1704–1783) × Hendrina Godefridi van Beeck (1708–1760)
Rechtsklik op de afbeelding en kies openen in andere Tab/Venster
Jaren geleden kreeg ik een stamboom van een vermoedelijk ver familielid uit Australië. Deze stamboom is erg interessant omdat hij geen zichtbare link met onze Texelse tak leek te hebben. Tot ik drie zusters vond: Maartje , Marijtje en Martje Cornelis Burger, de vermoedelijke gemeenschappelijke voorouders van beide takken van de stamboom.
Maar er is nogal wat onduidelijkheid in de officiële registers. De namen werden nogal eens met elkaar verward en door elkaar gebruikt. Hierdoor is het moeilijk te achterhalen wie nu werkelijk met wie was getrouwd en welke kinderen bij wie hoorden, want in het ene document wordt Martje genoemd als echtgenote van Jan Pieters Verberne en in een ander document blijkt dat Maartje te zijn. Het is natuurlijk ook mogelijk dat Jan Pieters met beiden getrouwd is geweest. Ook worden niet alle geboortedata van de betrokkenen genoemd, waardoor niet is vast te stellen wie er precies wordt bedoeld.
In mijn tak is Martje op 24 juli 1764 getrouwd op Texel met Jan Pietersz Verberne (1739–1814). Terwijl zij in de andere tak in 1764 trouwde met Jan Pieters Verberne (1751-1826). Het is ook niet met zekerheid vast te stellen welke Martje/Maartje/Marijtje men precies bedoelt. Het is niet waarschijnlijk dat dit dezelfde man is, hoewel beide vaders een zoon hadden met dezelfde naam en geboortedatum(!): Simon Jansz Verberne (geboren 7 sep 1775 • Texel – Overleden 22 jul 1837 • Den Burg (Texel)). Het lijkt er op dat deze zoon mogelijk aan de verkeerde vader is gekoppeld. Maar welk van de twee dat dan is, is onduidelijk. En dat een van deze twee heren mogelijk aan de verkeerde vrouw is gekoppeld. Verder onderzoek zal dit moeten uitwijzen.
Texel Verberne afstamming
Inmiddels is wel duidelijk dat Martje Cornelis Burger twee zussen had met vrijwel identieke namen: Marijtje en Maartje Cornelis Burger. Het lijkt dus erg aannemelijk dat Maartje trouwde met de andere Jan Verberne, hoogstwaarschijnlijk is dit Jan Pieters Verberne (1751-1826). Maar het kan ook de andere Jan Pieters Verberne (1739-1814) geweest zijn. Hiervoor is meer onderzoek in de archieven noodzakelijk.
Overigens hebben de ouders van deze dames ook twee zoons gehad met exact dezelfde namen: Pieter Cornelisz Burger (1746) en (1753). Over verwarrend gesproken. 🙄
Zowel Martje als Marijtje hadden kinderen met dezelfde naam, wat onwaarschijnlijk lijkt: Cornelis Verberne (gedoopt 27 okt 1827) en Willem Verberne (gedoopt 13 dec 1845). En beiden met dezelfde geboortedata. Hoogst onwaarschijnlijk. Maar niettemin is het duidelijk dat er een vermenging van gegevens is ontstaan door de verwarrende naamgeving en huwelijken met een partner met dezelfde naam.
Simon Joosten Verberne afstamming
Er zijn dus drie zussen:
Maartje Cornelis Burger (1741-1791)
&
Jan (Pietersz?) Verberne (1739-1814?)
Martje Cornelis Burger (1747-1791)
&
Jan Pietersz Verberne
Marijtje Cornelis Burger (1751–1816)
& Jan Pietersz Verberne
& Albert Lourensz Veeger (1744-1828)
Maartje, Martje en Marijtje Cornelis Burger die alledrie getrouwd zijn met een Jan Verberne; Marijtje die twee keer trouwde, maar wie trouwde nou met wie? En wie zijn nu de werkelijke ouders van Cornelis en Willem? Het opmerkelijke hierbij is dat zelfs de officiële instanties de namen door elkaar haalden bij de registratie van officiële gebeurtenissen.
De historische gegevens zijn niet altijd duidelijk waartoe de kinderen van Martje/Maartje/Marijtje behoren. Hoogstwaarschijnlijk veroorzaakte dit onjuiste doublures. Dit maakt het nog moeilijker om voorlopige conclusies te trekken. Omdat ik echter officiële stukken heb gevonden van de drie zussen met dezelfde naam, kunnen we veilig concluderen dat deze dames de ontbrekende schakel zijn tussen beide takken van de Verberne-stamboom.
En zo zijn feitelijk hun ouders: vader Cornelis Pietersz Burger (1710-1783) en moeder Dieuwertje Jans Ran (1717-1780) de mensen die beide takken van de Verberne stamboom via hun dochters met elkaar verbinden.
Om dit op te helderen is verder onderzoek in officiële registers noodzakelijk.
Drie zussen met vrijwel identieke namen en echtgenoten met dezelfde naam. Martje en Maartje en ook Marijtje Cornelis Burger.
ChatGPT
In augustus 2025 heb ik het bovenstaande voorgelegd aan ChatGPT. Wellicht dat dat meer duidelijkheid geeft. De resultaten ervan zijn te vinden op de volgende pagina.
Hartelijk welkom op de Verberne.com website. Mocht je vragen hebben of beschikken over aanvullende informatie dan hoor ik dat graag. Als je bent ingelogd dan kan je onderaan de pagina’s reageren op de inhoud.
Nog niet geregistreerd? Ga naar de pagina Registreren en maak je gratis account aan.